Op een wit bed onder het hoge, statige plafond van de Amsterdamse Oosterkerk ligt een naakt figuur te rusten. Opgestoken haar, geslachtsdelen precies uit het zicht gedraaid. Leendert Vooijce legt later uit dat het een verwijzing is naar de slapende Hermaphroditus, een beeld uit het Louvre. In Zou je van mij houden? vraagt Vooijce zich af: ‘hoe noem ik het hemelwezen in mij?’

Als kind speelde Vooijce vaak onder de tafel met de hakschoenen van moeder, of paradeerde op houten klompen vanwege het klikklakkende geluid. Op feestjes waren mensen in de war: is dat kind een jongetje of een meisje? Ook Vooijce’ moeder moest een antwoord schuldig blijven. Zelfs toen ze haar hoofd onder de tafel stak en haar kind hoorde vragen: ‘Zou je van mij houden als ik een meisje ben?’ bleef ze stil. De onbeantwoorde vraag bleef rondspoken bij Vooijce, maar er ontstond ook ruimte: niet kiezen kan misschien ook.

Na een poëtisch openingswoord over geboren worden tussen de uitersten – in de branding – introduceert Vooijce die mooie term: ‘hemelwezen’. Dan trekt de naakte performer een lange zwarte jurk aan met hoge kraag, die het midden houdt tussen een pastoorstoga en een nonnenhabijt. Het publiek zit in een grote cirkel op stoelen en zitkussens, doorkruist door twee looproutes. In regie van Mokhallad Rasem loopt de rijzige, ingehouden gestalte van Vooijce tussen de mensen door. De stem van de performer galmt door de Oosterkerk, alsof we een plechtige, kerkelijke preek bijwonen.

De performance maakt zo nu en dan uitstapjes: met poëzie over masculiniteit, projecties op witte schermen aan de randen van onze cirkel, informatie, zoals over Hermaphroditus, of interactie. Vooijce vraagt een aantal mensen of ze ‘man’ of ‘vrouw’ zijn om dan verwonderd uit te roepen ‘zo weinig twijfel, zo snel weet je dat, wat heerlijk!’.

Op dat soort momenten slaat onze plechtige priester dan ineens een prettig speelse toon aan en maakt ruimte in onze hoofden; hadden we langer moeten nadenken? In het volle daglicht laat het publiek zich even goed bekijken als de performer. Hoe zeker zijn de anderen?

Hoofdlijn is dat deze volwassen kunstenaar, afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, nog altijd onder die tafel in het ouderlijk huis zit. Eerdere gesprekken liepen uit in conflict, maar met hulp van het publiek moet het toch mogelijk zijn het ideale gesprek met het thuisfront voor te bereiden.

Twee mensen krijgen de eer vader en moeder te vertegenwoordigen – het publiek lijkt deelnemer aan een familieopstelling. Dat ‘onder de tafel uitkomen’ geeft als opdracht weinig houvast. Misschien expres, want Vooijce lijkt genderzoekend en probeert ook nog te bepalen of lichamelijke aanpassingen ergens bij zouden helpen; wat vertel je dan?

Al repeterend probeert Vooijce zoveel verschillende complexe en stichtelijke woordjes uit dat de performance wat breed en educatief wordt. Wat blijft hangen: ernstige, harde taal over het ‘afhakken van vader’ en zijn ‘masculiniteit’, goede suggesties aan moeder, om toch vooral wat minder stil te zijn: ‘hoe leuk was het geweest als je had gezegd: jongen? Meisje? Dat is gewoon Leendert, die hoort inderdaad bij mij.’ Fijn is ook een oproep om jongens te leren dat hun geslachtsdeel niet alleen een zwaard, maar ook een bloem is.

De uiteindelijke woorden zijn veel eenvoudiger – eenvoud waar je in de loop van de performance naar bent gaan smachten: hoe eng het ook is om iets niet te weten, iemand die/diens noemen is niet gevaarlijk. Zou je van mij houden? maakt duidelijk hoe zwaar het is als er geen woorden zijn voor jouw hemelwezen, je het zelf, alleen, moet uitzoeken en daarna ook nog je naasten moet onderwijzen.

Foto’s: Casper Buijtendijk