Tom Lanoyes remake van Who’s Afraid of Virginia Woolf is een sprankelend taalfeest – we hadden van de Vlaamse bard niet anders verwacht. Inhoudelijk mist Wie is bang echter urgentie. Ondanks de inzet op een aantal actuele kwesties laat Lanoye na het stuk van Albee ook structureel grondig dooreen te schudden. En wie de machtsverhoudingen binnen en buiten het drama onaangeroerd laat, houdt wezenlijk de status-quo in stand.

De derde Virginia Woolf-bewerking in één zomer tijd – dat kan tellen. Twee versies zag ik op het Oostendse Theater Aan Zee: een herneming van Compagnie de KOE uit 2005 en een versie door een aan het Gentse KASK afstuderende horde dramastudenten. Beide versies fris en strak gespeeld, met een tragiek die bij de oudere generatie doorleefd zinderde en bij de jongere scherp en vers in het vlees sneed.

Toch dacht ik twee keer: waarom kijk ik hier eigenlijk naar? Niet dat thematieken als liefde en haat, macht, tijd, verlies… uitgeput raken – op die nagels kan je eeuwig blijven slaan, zeker in het theater. Maar het was de vorm die mij in zekere zin verveelde – ‘hopeloos well written’, zoals een personage uit Lanoyes remake zou zeggen. Een drama dat nagenoeg perfect is opgebouwd, en daardoor gesloten is, onbeweeglijk – de tijd heeft er geen vat op. ‘Zijn dit soort genrestukken nog relevant?’, vraagt de beginnende actrice Sibel (Dilan Yurdakul) in Wie is bang. Dat is inderdaad de vraag.

Lanoye heeft er nochtans alles (of toch bijna alles) aan gedaan om die relevantie te verzekeren. Om te beginnen voegt hij aan het al zo slimme spel tussen realiteit en fictie dat Albee zelf opzet (het oudere koppel George en Martha uit zijn stuk speelt voortdurend een rollenspel, ook voor elkaar) een tweede lading toe door het schouwspel te verplaatsen van de academische wereld naar de theaterwereld: niet de bekrompen, hypocriete en zelfingenomen microkosmos van de Amerikaanse universiteiten uit de jaren 1960 wordt gefileerd, maar de even bekrompen, hypocriete en zelfingenomen theaterwereld van de Lage Landen vandaag. Personages Jo en Denise zijn acteurs ver voorbij hun houdbaarheidsdatum – we ontmoeten hen na de aller-aller-echt àllerlaatste voorstelling van het niet bij naam genoemde repertoirestuk dat ze al decennialang spelen.

Het is tristesse troef, zoals regisseur Koen De Sutter slim laat zien, door ons zijdelings vanuit de coulissen op de bühne te laten kijken. Een bombastische finale van Ravels Boléro, lichten uit, Jo en Denise komen groeten, maar het magere applausje gunt hen slechts twee retours. Daarna is het uitgeput naar de kaptafel, waar het verbale sloopwerk begint. Dat sloopwerk zal zich uitbreiden van de zelfdestructie binnen het koppel naar de afbraak van de dromen en verwachtingen van de twee jonge acteurs die hen straks zullen vervoegen (want Jo heeft met hen toch nog een allerlaatste herneming gepland) en zal bovendien van verbaal gaandeweg ook fysiek worden, doordat het decor langzaam wordt ontmanteld. In hun spel om de psychische vernietiging van de ander zullen nu eens de ouderen dan weer de jongeren in de rol van toeschouwer worden gedwongen, terwijl de tegenpartij zijn toneeltje opvoert.

Net zoals het koppel in het stuk dat ze vertolken zijn ook Jo en Denise in het ‘echte’ leven een koppel, en hun intieme en professionele tragiek vertoont grote overeenkomsten met die van hun personages. Dat Lanoye op het lijf schreef van Han Kerckhoffs en Els Dottermans voegt daarbovenop een zoveelste laag toe: Lanoyes ouder wordende personages die zich in het commerciële circuit hebben verbrand, worden vertolkt door twee ouder wordende acteurs van wie de ene (Dottermans) pas sinds de komst van Milo Rau bij het Gentse stadstheater NTGent haar vaste contract verloor. Kerckhoffs en Dottermans zijn absoluut geen has beens, maar ze moeten zich net zoals Jo en Denise als niet meer zo jonge freelancers wel staande houden in het competitieve podiumcircuit.

Lanoye volgt de opbouw van Albees stuk getrouw, zeer getrouw zelfs. De komst van het jonge stel, de wisselende coalitievormingen, de verkleedpartijtjes, de zogenaamd eerlijke ontboezemingen, de aanwezigheid van een Groot Artistiek Project en een Groot Persoonlijk Drama – dat alles gekruid met de liefde, de haat, de drank, het cynisme en de tederheid die het stuk berucht hebben gemaakt. Albees raamwerk vormt een stevige ruggengraat, waarbinnen Lanoye met precieze scherpte de maatschappelijke analyse van een specifieke academische wereld heeft vervangen door een analyse van de Nederlandstalige theaterwereld vandaag. In die analyse komen een aantal fricties aan bod: het gesubsidieerde theater versus de commerciële sector, traditie en techniek versus postmodern en postdramatisch theater, man versus vrouw, wit versus gekleurd, elitaire grootstedelijke kunst versus een publiek van ‘bassende zeehonden’ (dixit Denise) in de provincie.

Toch even iets daarover. Je zou kunnen zeggen dat de schrijver Lanoye zich nergens over uitspreekt, omdat alles bij monde van zijn personages gebeurt (fictie, weet je wel), maar bij momenten stelde ik me de vraag die de beginnende acteur Soufian (Tarikh Janssen), in verwarring door het wrede spel tussen Jo en Denise, zich ook stelt: ‘Is dit nu ironie of niet?’ De afkeer (en tegelijkertijd de jaloezie) van Jo en Denise ten opzichte van het hypocriete, elitaire, subsidieslurpende theatervolkje met hun zelfverklaarde morele waarden en hun vriendjes in de subsidiecommissies klinkt wel erg helder door uit de pen van deze ‘slagerszoon met een brilletje’ – Lanoye heeft van zijn achtergrond en ingesteldheid als kleine zelfstandige nooit een geheim gemaakt. Bij momenten ruikt het in Wie is bang doorheen alle geestigheid naar rancune, door de schrijver via zijn personages verpakt in een slimme praeteritio. Maar misschien, en hopelijk, vergis ik me.

In het gesteggel over subsidies schuilt echter niet het zwaartepunt van het stuk. Dat ligt besloten in de inbreng van het diversiteitsvraagstuk in de podiumkunsten, dat voor de jongere acteurs Soufian en Sibel zelfs het dragende discours is. Lanoyes kunstgreep is in eerste instantie bijzonder geslaagd omdat ze zo hemeltergend dicht aanleunt bij de realiteit: Jo en Denise krijgen voor een volgende herneming van hun repertoirestuk subsidie op voorwaarde dat ze de rollen van het jonge koppel uitbesteden aan acteurs met een kleurtje. Maar deze Sibel en Soufian – hoe verschillend ook in hun omgang met hun afkomst – zijn niet van plan zich als excuuskleurtjes te laten gebruiken, en geven weerwerk. Enter het hele discours over white privilige, gebrek aan kansen voor gekleurde acteurs, voorkeursbehandelingen, paternalisme en een hagelwitte canon. Het beeld dat Lanoye ophangt is een ironieloze realiteit: in zijn omgang met een hele generatie acteurs met roots in migratie klungelt de podiumkunstensector in het beste geval maar wat aan, in het slechtste geval geeft ze blijk van onverholen racisme.

Alleen is het niet genoeg om dat gezegd te krijgen, want dan blijft het alleen maar… gezegd. Doordat Lanoye Albee zo getrouw volgt, krijg je het vreemde effect dat wat Lanoye wellicht clichédoorbrekend bedoelt, alleen maar clichébevestigend werkt. Aan de machtsverhouding tussen twee witte coryfeeën (als personage én in de gedaante van acteurs Han Kerckhoffs en Els Dottermans) en de twee jonge acteurs (Dilan Yurdakul en Tarikh Janssen als Sibel en Soufian) met een kleur wordt eigenlijk niet getornd. O ja, de twee jonkies mogen een beetje schoppen en schelden, zoals Albees Nick en Honey dat ook onhandigweg mogen, maar Lanoyes ‘George en Martha’ zijn gewoon geen partij voor hen. Daarmee bedoel ik niet dat Yurdakul en Janssen het niet goed doen, wel dat ook hun rol, zoals Sibel terecht opmerkt over die van Honey in Albee, gewoon underwritten is. Vooral omdat het discours van Sibel en Soufian grotendeels daarom draait: om het feit dat ze een kleur hebben, en hoe ze daarmee worstelen in hun carrière. Opnieuw mogen gekleurde acteurs (in de rollen van gekleurde acteurs) het vooral hebben over hun gekleurd-zijn.

Het bewijst nog maar eens hetgeen onlangs ook al op een pijnlijke manier te zien was bij Black/The Sorrows of Belgium I: Congo van Luk Perceval: je komt er niet met het aanpassen van je discours alleen, je komt er niet met het injecteren van een well made play met de relevante thema’s van deze tijd – dat maakt je stuk nog niet relevant. In Wie is bang demonstreert Lanoye weliswaar dat hij aandacht heeft voor de omwentelingen rond dekolonisatie en feminisme in de podiumkunsten, maar om echt de vinger op de wonde te leggen is meer nodig dan het ‘vullen’ van een oude structuur met een nieuwe inhoud. Wat nodig is, is veel ingrijpender: een radicaal nieuwe vorm, een nieuwe schriftuur. Misschien zijn de structuren van het well made play – of toch van dat van Albee – wel wezenlijk niet meer geschikt om de veranderde tijd te vatten, en moet dus de hele rolverdeling, en daarmee onlosmakelijk verbonden de hele machtsverhouding, op de schop.

Wat overblijft is de weinig verrassende vaststelling dat Lanoye een ware taalkunstenaar is, dat hij de pen bezit om de vitriool-dialogen van Albee te vertalen naar vandaag – ik heb verschillende keren luid moeten lachen om de scheldtirades en de vileine schimpscheuten van Jo en Denise. Maar Wie is bang was meer gebaat geweest bij een make-over dan bij een remake. In deze vorm blijft de bewerking ter plaatse trappelen, gaat ze bijlange niet ver genoeg om Albee de eigen tijd in te dragen.

Foto: Lex de Meester