Het Groningse cultureel studentencentrum Usva schrapt een opvoering van Becketts Waiting for Godot omdat er alleen mannen auditie mochten doen voor de vijf voorgeschreven mannenrollen. Dat druist volgens het studentencentrum in tegen het inclusiviteitsbeleid van de universiteit.
Hoe ver kun je gaan in het verdedigen van jezelf? En hoelang kun je nog volhouden dat je niet gewoon uit bent op de ondergang van de ander? De Nederlandse Reisopera, Club Guy & Roni en het Noord Nederlands Orkest proberen deze vragen te onderzoeken met hun uitvoering van Waiting for the Barbarians, een opera uit 2005 van de belangrijkste nog levende componist: Philip Glass.
Waiting for the Barbarians gaat over een ‘Magistraat’ (Dan D’Souza) van een kleine buitenpost van een Rijk zonder naam. Voorbij die buitenpost ligt enkel nog de woestijn waarin de nomaden leven. Door kwaadsprekers worden deze nomaden de ‘Barbaren’ genoemd. Op een enorm CCTV-scherm dat dient als achterwand worden ze dan ook continu in de gaten gehouden. Maar eigenlijk lijkt er weinig van deze mensen te vrezen, ze blijven zelf misschien het liefst een beetje op afstand. Tot op een dag vanuit het centrale gezag van het Rijk, Kolonel Joll (Charlotte Hellekant) op het kleine plaatsje wordt afgestuurd. Er wordt gevreesd voor een aanval van de Barbaren, dus Joll stuurt aan op een ‘preemptive strike’.
Glass schreef de opera samen met librettist Christopher Hampton, gebaseerd op de roman van J.M. Coetzee. Bij de première in 2005 was het de context van de Irak-oorlog, en de martelpraktijken van Amerikaanse militairen in de Abu Ghraibgevangenis, die de opera actueel maakten. Coetzee schreef op zijn beurt zijn roman als een allegorie van het Zuid-Afrikaanse regime van Apartheid. En in 2026? Zegt u het maar. Gaza? Kyiv? Teheran? Ter Apel? In een wereld waarin genocide wordt goedgepraat omwille van zelfverdediging, en dorpen in opstand komen tegen de komst van een azc, lijkt die context onontkomelijk.

In de opera is het werk van Coetzee teruggebracht tot drie hoofdpersonages: de Magistraat, Kolonel Joll en een Barbarenmeisje. De Magistraat is de verlicht despoot van zijn kleine wereld. Hij is geliefd bij zijn bewoners, en lijkt een vredige en pragmatische verhouding te hebben gevonden met de ‘Barbarians’. Als in korte tijd Kolonel Joll de macht overneemt, ziet de Magistraat toe hoe burgerrechten met voeten worden getreden.
Misschien is het dit gevoel van onmacht dat de Magistraat ertoe zet een poging te doen tot het stellen van een daad. Hij ontfermt zich over een ‘Barbarenmeisje’ (Lilian Farahani). Door hevige marteling en misbruik is zij verminkt en getraumatiseerd. De Magistraat laat haar slapen in zijn huis. Maar zijn bedoelingen zijn dubbel. Hij voelt zich hevig aangetrokken tot het meisje en komt te dichtbij. Als een burgemeester in oorlogstijd doet hij pogingen om erger te voorkomen, maar het lijkt tevergeefs.
In de bewerking van Hampton laat het verhaal maar weinig ruimte over voor ambiguïteit en intern conflict. Misschien is de vorm van opera, maar Hampton heeft de roman van Coetzee misschien té vakkundig samengevat, en teruggebracht naar een verhaal over goed versus kwaad. Ook de aankleding van deze uitvoering heeft moeite om dat te ontstijgen. De beeldtaal van Waiting for the Barbarians is zo duidelijk als die van een Star Wars-film: de slechteriken lopen in strakke zwarte kostuums, de onschuldigen lopen in armoedige kleren (uiteraard met een kleine oriëntalistische touch).

En dat is zonde, want de multidisciplinaire samenwerking tussen de Reisopera en Guy & Roni levert qua vorm heel veel op. De uitvoering van de muziek van Glass door NNO onder leiding van Alice Farnham is zeer geslaagd. De muziek van Philip Glass kan soms erg staccato en neurotisch worden uitgevoerd. Maar Farnham is het gelukt om het werk met haar zangers prettig melodieus en ritmisch te interpreteren. De muziek is Glass ten voeten uit, maar blijft de gehele opera spannend om naar te luisteren.
De choreografieën van Roni Haver in de uitvoering van Nora Monsecour vormen de hoogtepunten van de voorstelling. In iedere groepschoreografie eist ze vrijwel alle aandacht op met haar krachtige en strakke bewegingen. Haver slaagt er met haar choreografie in om een laag toe te voegen aan het werk. De dansers die het Barbarenmeisje begeleiden geven haar een kracht, bevrijding en plezier die van haar rol meer maken dan enkel het onschuldige slachtoffer. Ook in de regie van Guy Weizman zie je de poging om de personages wat meer diepte te geven. Dat lukt met name in het tweede bedrijf, wanneer we het Barbarenmeisje in filmbeelden zien, vrolijk, omgeven door haar familie en vrienden.
De samenwerking die aan de basis lag van deze opera is bijzonder geslaagd, en het is zonde dat zo’n mooie productie maar negen speelbeurten krijgt. Toch is het de vraag of deze opera nu werkelijk de tijd op de staart trapt, of de gemiddelde toeschouwer vooral bevestigt in wat die al dacht: ik sta aan de goede kant.
Foto’s: Eduardus Lee














Enige verdere opmerkingen bij deze uitstekende recensie:
(1) De scènes waarin we de acteurs zien praten en inter-ageren terwijl we alleen de muziek horen, zijn een stuk krachtiger en naturalistischer dan de scenes met het gezongen woord, dat vaak het recitativo accompagnato benadert.
(2) Het libretto is helaas wat de Engelsen po-faced of on-the-nose noemen.
(3) Het libretto loopt bovendien over van zinnen met een onhandig ritme en medeklinkerclusters die een grote uitdaging vormen voor de vocalisten. Vooral de zangeres die de kolonel vertolkt struikelde er een paar keer over.
(4) Over het bezwaar van “star wars” (of laten we wel wezen: “nazi”) kostumering: mij deed het bijzonder sterk denken aan de stripverhalen van Möbius (Giraud) en Enki Bilal. De daaruit voortkomende suggestie dat dit alles zich op een verre planeet afspeelt en de Barbaren wellicht de autochtone humanoïden zijn, is op zich niet zo heel gek.
(5) Dans en decor zijn inderdaad zeer geslaagd in deze productie. De lichaamsdynamiek van de danseres die de zuster van het meisje voorstelt is adembenemend: soms vogelachtig, soms bijna een machine of een lichaam dat verscheurd wordt.
(6) Akhenaten van Glass heeft twee (of misschien drie) segmenten die met recht transcendentaal kunnen worden genoemd; dat ontbreekt in deze opera toch wel.