Deze voorstelling is een tweeluik en opent met een eerste deel dat als titel VV draagt. Deze afkorting staat voor Visual Vernacular en het gaat om een manier van communiceren tussen mensen met een gehoorprobleem die niet van taal afhankelijk is, maar waarbij het hele lichaam gebruikt wordt. Sharon Wesseling gebruikt dit in haar choreografie om haar eigen danstaal mee te ontwikkelen en wordt daarin bijgestaan door een Amerikaanse specialist op dat terrein, Justin Perez.

Dit deel opent met een solo, waarna de drie andere performers (zowel horende, slechthorende en dove dansers) zich één voor één bij de eerste performer voegen. Vervolgens ontstaat een reeks interacties in wisselende bezettingen, waarbij vooral duo’s en kwartetten elkaar afwisselen en op bepaalde momenten een van de performers zich losmaakt en interacties heeft met de anderen.

De bewegingstaal voltrekt zich vooral door middel van armgebaren, vaak rond en vloeiend met een legato karakter, soms ook in popping-achtig staccato. Er wordt veel onderling fysiek contact gemaakt: in een sequentie probeert een van de performers te ontsnappen aan, of zich te bevrijden van de anderen die haar omklemmen. Af en toe is er sprake van synchrone beweging van twee of alle vier de performers.

Er wordt geen chronologische vertelling vertoond, het gaat om een reeks situaties die aan elkaar geschakeld worden. Er wordt veel opgekomen en afgelopen en de elektronische geluidsband zet bij tijden een markant ritme in. In een kort verstilder moment wordt een duet begeleid door uitsluitend het gekwinkeleer van pure zangvogeltjes – echt of vermeend. De performers zijn allen in het zwart, met een opvallend kleuraccent dat zowel in een detail als in de complete voering van hun kostuum verwerkt is.

De opbouw kent geen geprononceerde afwisseling van spanning en ontspanning, waardoor het geheel vanaf een bepaald moment wat lijkt te kabbelen. Bij tijden zijn er mooie momenten, maar om de aandacht blijvend vast te houden is misschien toch een wijder palet nodig van bewegingskleuren, of juist een beperkter en geconcentreerder gebruik ervan. Het moment dat de gelaatsuitdrukkingen nadrukkelijk mee gaan spelen, opent de choreografie zich meer en communiceert het ook naar het publiek, waar het zich over het algemeen vooral tussen de performers lijkt af te spelen.

In de pauze wordt het publiek de foyer ingestuurd met een oefening uit het repertoire van de toneelschool, waarbij een denkbeeldig object wordt doorgegeven en per persoon een andere vorm aanneemt. Het resultaat daarvan levert de opmaat voor het tweede deel.

Dit deel is bijkans het tegenovergestelde van het deel vóór de pauze: hier is het een en al lichteffecten, harde muziek vol bonkende ritmes. In beeld en geluid wordt hier in een constante stroom de hectiek van het moderne (stads)leven geïllustreerd. Het dansidioom wordt hier gevarieerder en vrijer gehanteerd dan eerder. In een bonte afwisseling worden in hoog tempo bewegingsdialogen afgewisseld met choreografieën voor steeds terugkerende lichtstaven, die door de performers in allerlei figuraties gemanipuleerd worden.

Dit deel draagt als titel Energy, en moet het dus bij uitstek hebben van zijn dynamiek. Maar de verschillende onderdelen willen maar niet tot een dwingend geheel in elkaar grijpen. Deze tweede helft van het programma beperkt zich tot een eerder wat afstandelijke demonstratie van ideeën en invallen, sommige fantasievol, sommige speels, maar samen wordt maar niet een onontkoombaar universum gevormd, waarbinnen je als publiek meemaakt hoe iemand die doof is de gefragmenteerde wereld vol niet-aflatende prikkels om zich heen zou kunnen ervaren.

Foto’s: Kevin Canales