In de lange intro van Let’s Get Louder maant Stephanie Louwrier het publiek de verwachtingen naar beneden bij te stellen. Ze wil ons behoeden voor teleurstellingen. In haar nieuwe show zegt ze de ultieme uitdaging aan te willen gaan: ongefilterd eerlijk zijn over alles wat er in haar omgaat. Uiteindelijk valt dat toch tegen. (meer…)
Opeens, alsof het een werkelijk moment van paniek is, vraagt zanger, muzikant en cabaretier Guido Spek: ‘Waar is mijn iPhone?’ We zijn aan het begin van zijn debuutshow Voor spek en bonen, een woordspelige variant op zijn naam. (Daar kom ik straks nog op terug.)
Hij vraagt het aan het publiek, zoekt zijn broekzakken af op aanraden van een toeschouwer. Nee, nergens. Vervolgens duikt hij achter de piano en zet een bluesachtig nummer in: ‘Lives are better without a iPhone.’ Hij nodigt het publiek uit mee te zingen en dat gaat verrassend goed, het is een perfect nummer. Actueel, mooi gespeeld. Hij opent (en sluit weer af) met de symboliek van de ‘kaasschaaf’. Die moest hij maar eens aanschaffen, vonden zijn vrienden, maar hij wilde het niet. Die kaasschaaf speelt als een symbool van orde en doeltreffendheid, een cruciale rol.
Guido Spek (Rotterdam, 1990) geniet bij het grote publiek bekendheid door zijn optreden als de dwarse Sjoerd Bouwhuis in Goede tijden, slechte tijden (vanaf 2010). Hij stond in meerdere toneelstukken, zoals De snoepwinkel van Zevensloten, in de musicals Hartsvrienden (2015) en in Into the Woods (2017). Nu heeft hij met Voor spek en bonen een rijk gevarieerde muziek- en cabaretshow gemaakt met lichte liedjes, vrolijke en soms ook grove sketches, absurde invallen en welbewust warrige verhaallijnen die hijzelf nauwelijks bevat.

Om met dat laatste te beginnen: in een ontroerende scène praat hij er met zijn broer over dat hij zich schuldig voelt aan de scheiding van zijn ouders; de jonge Guido is vier, zijn broertje drie, en er zijn zeven kinderen van wie Guido de middelste is. De beide broertjes wisselen eerste herinneringen uit. Schuld of niet-schuld, dat laat ik in het midden, het is een mooi spel waarin Spek treffend de dialoog verbeeldt. Dan vraagt zijn broer om eens duidelijk te zeggen wat hij wil zeggen, waarop Spek met een over de top-antwoord komt, zoiets als: ‘Ik kan alleen maar maken als ik zeg wat ik zeggen wil als ik wil maken wat ik alleen in poëzie of een liedje kan zeggen.’ Prachtig; een statement, een poëtica. En onnavolgbaar.
Nauwlettend houdt Spek de grens in de gaten tussen fictie en werkelijkheid. Dat hij rijdt op een fatbike omdat hij eens in de smalle tramrails bijna verongelukte: waar of niet waar? Hij vraagt het publiek hoe ze over fatbikes denken, een vrouw zegt: ‘Ik heb niets tegen fatbikes, wel tegen de bestuurders.’ Dan deze: opnieuw plots, als een inval, spreekt hij een dame behoorlijk rechtstreeks ergens op de tweede rij aan. Hij fixeert haar, zegt dat haar hij herkent. ‘Fijn dat je gekomen bent’, of zoiets. Dan opeens: ‘Ik heb een verleden als porno-acteur.’ Dit is wel over het randje. Haar gevatte repliek komt snel: ‘Ga eens naar Specsavers.’
De zaal begrijpt het meteen: Specsavers en Guido Spek en spek en bonen. De cabaretier is duidelijk overrompeld, maar herneemt zich: ‘Misschien moet mijn volgende show Specsavers heten.’ De publieksparticipatie is beslist niet de sterkste kant de show, de randjes zijn te zwart of de interactie te gemakkelijk. Een andere dame moet fotomodel spelen terwijl Spek met ouderwetse spiegelreflexcamera’s foto’s van haar maakt en een snelle monoloog houdt over de tijd die de ruimte vormt en dat we rust moeten nemen in onze ruimte. Zoiets. Hij vertelt het gedragen.

Spek bespeelt elektrische en akoestische gitaar, piano en mondharmonica. Dat zorgt voor veel afwisseling. Een hoogtepunt is het liedje waarin alle soorten beroepsnamen of anderszins eindigen op ‘-ist’, zoals bloemist, zionist, cartoonist, toerist, feminist of seksist. Spek verbindt de woorden speels aan elkaar.
Grover wordt het in de sketch over een blonde vouw in een Mini Cooper Cabriolet, die hij in de verkeersdrukte probeert te versieren. Hij rekent zelfs op een What’s App-bericht,. Dan gaat Spek lekker los over sociale media en zegt dat hij mensen ook ontvolgt, want hij wil niets meer horen van dickpics, wat mensen eten en hoe ze hun tijdlijn vullen. Daar komt een prachtig lied van, over drang naar sociale media en zijn verzet ertegen: ‘Ik heb geen geduld.’
Dit cabaretdebuut (geregisseerd door Stephanie Louwrier) is verbazingwekkend losjes uit de pols: elke sketch lijkt spontaan te zijn opgekomen en niet eindeloos als script geoefend. Die vaardigheid van de snelle vondst is een grote kwaliteit. Brandend actueel is Spek niet, wel zijn de licht-absurde grappen het beste, waarin hij een surreële maar boeiende logica formuleert. Zoals deze: ‘Als zoveel ouderen eenzaam zijn, waarom is er dan een tekort aan kinderopvang?’ Of deze fijne jij-bak over Amsterdam: ‘Daar willen ze vuilcontainers gaan weghalen vanwege de rommel door statiegeld op blikjes.’ Flitsende verhalen, eindigend met woningnood. Hoe Spek daar terechtkomt, dat is aan hem en zijn van talent en spitsvondigheden overbloezende show.
Foto’s: Rosa Quist














