Elfie Tromp lijkt echt wel een beetje op Adèle Bloemendaal. Beiden hebben die ongenaakbare oogopslag en opvallende neus en kaaklijn. Met Van de Gekken! eert Tromp haar inspirerend rolmodel met een fascinerende mix van (auto)biografische anekdotes en haar bekendste muziek.

Bij de opening van haar eerbetoon stelt Elfie Tromp vast dat de menselijke vorm vloeibaar en vluchtig is: we veranderen door de blik van de ander. Terwijl pianist Jan Groenteman een indrukwekkende medley van Bloemendaals carnavalshits opdist, verdwijnt Tromp daarna achter een kledingrek om te transformeren in haar idool.

Ook Bloemendaal speelde verschillende rollen. Volgens Tromp kende niemand haar echt; ze stond bekend als wispelturig, iemand die zich zomaar kon terugtrekken uit een theaterproject. Ze zong de carnavalskrakers alleen voor het geld, noemde zichzelf een clown, maar trad op in lingerie. Als Tromp op haar clownscursus een ‘striptease van een clown’ uitprobeert, vindt de cursusleidster dat niet de bedoeling. Een mooie manier om te laten zien dat Bloemendaal zich van het gangbare weinig aantrok.

Tromp zingt naast titelsong ‘Van de Gekken’ voornamelijk Bloemendaals hits over het vrouwelijk lichaam (‘Oh mijn lichaam’, ‘Vleselijke woning’, ‘Vingerlied’) en benadrukt haar activisme. In tussenliggende anekdotes roemt ze sarcastisch de situatie voor vrouwen in Nederland nu. Hoe veilig het dag en nacht op straat is, dat slechts één vrouw per week slachtoffer wordt van femicide. Ook filosofeert ze over hoe vrouwen uiterlijk verval vrezen, maar daar met plastische chirurgie iets tegen kunnen doen – met alle risico’s van dien.

In regie van Marcus Azzini spreekt Tromp vrijwel de hele voorstelling een beetje als Bloemendaal; afgemeten, enigszins hooghartig en met een diep stemgeluid adresseert ze de zaal. Ook als ze eigen anekdotes verweeft met biografische weetjes over Bloemendaal, houdt ze die toon vast, waardoor het onderscheid tussen Tromp en Bloemendaal niet altijd even helder is. Wie van hen loopt achter de kinderwagen te balen dat ze niet mee kan doen aan de roerigste protesten van de jaren zestig?

Dat blijkt opzettelijk. Steeds meer verandert Tromp in Bloemendaal; een jurk met hoge split, grote oorbellen, rode lippen en uiteindelijk de witblonde korte pruik. ‘Soms vallen we even samen’, zegt ze. Dat geeft haar rust. Toch knaagt er iets. Ze kan Bloemendaals zang aardig imiteren, maar ze roept ook heimwee op naar de kracht van het origineel.

Dat verlangen lost Tromp erg mooi in tijdens het slot van Van de Gekken, waarin ze bedremmeld in het licht staat te kijken, terwijl Groenteman haar kledinglagen weer afpelt. Zonder Bloemendaal-accent, in oversized shirt, deelt ze dan een eigen theorie over die beroemde wispelturigheid, waarover de schaamteloze grande dame zelf weinig prijsgaf (behalve ‘De Zwarte Doos’). Zo houdt Tromp veel van Bloemendaal en een beetje van zichzelf in een eerbiedige balans.