Van haar vader heeft zangeres en actrice Sarah-Jane Wijdenbosch het in ieder geval niet geleerd. Maar het houdt haar al een leven lang bezig: wat is goed en wat is fout? ‘Ik groei op met vallen en opstaan, maar wat als je constant valt?’ In haar solovoorstelling Vaderziel alleen vertelt ze wat het betekent om zonder vader op te groeien en hoe de vrouwen om haar heen haar droegen.

Onder een enorme zwarte, hoge hoed staat ze daar, alsof iemand haar daar heeft neergezet onder de rand van zijn bescherming. De ‘hoed’ bestaat uit drie halfdoorschijnende zwarte cirkels die boven de oranje speelvloer zweven naar een treffend ontwerp van Yannick Verweij & Anneke Speelman. Vanuit de zaal lijken ze op de randen van een gekantelde herenhoed: een vaderfiguur zonder gezicht. Links en rechts zitten Giovanni Essed op drums en Surinaamse percussie en Melvin Nyavor achter toetsen en elektronica.

Muziek is voortdurend aanwezig en draagt Vaderziel alleen. Wijdenbosch vertelt niet alleen, ze zingt ook: zelfgeschreven nummers worden afgewisseld met muzikale verwijzingen naar de R&B en hiphop waarmee ze opgroeide. Essed en Nyavor zijn daarbij meer dan begeleiders. Ze reageren, kleuren, stuwen en vertragen; soms bijna onzichtbaar onder een scène, dan weer nadrukkelijk aanwezig. Hun samenspel geeft de voorstelling ritme en adem en maakt van de muziek een tweede vertelstem.

Vanuit dat sobere beeld trekt Wijdenbosch haar hele jeugd uit de grond. Ze kijkt naar kinderen die wél door hun vader uit school worden gehaald en noemt alle soorten vaders: Barbapapa-papa’s, GTST-papa’s en As the World Turns-papa’s. Vaders als vanzelfsprekend decorstuk van een normaal leven. Haar eigen vader blijft vooral afwezig. Zijn zware stem klinkt als voice-over door de voorstelling. Drie keer per jaar belt hij haar: met kerst, de jaarwisseling en haar verjaardag.

Dat Wijdenbosch over die afwezigheid niet uitsluitend zwaar doet, is een van haar grote krachten. Met verrukkelijke humor vertelt ze wat een ‘buitenkind’ is: niet een kind dat buiten speelt, maar een kind dat buiten een huwelijk is verwekt. Een druif tussen de appels en peren. De lach komt gemakkelijk. Tot ze niet meer komt. Dat de voorstelling telkens van lach naar ongemak kan kantelen, is niet alleen Wijdenbosch’ verdienste: ook de regie van Priscilla Vaudelle geeft die wisselingen ruimte zonder ze aan te dikken.

Ook in haar lied Ik wil er nog één, waarin ze samen met haar muzikanten de zwarte vader als doorgeefluik van mannelijk gedrag neerzet, wordt veel gelachen. Daar komen de Felicia’s en Carmens voorbij, de ovenschotels en lipgloss, de vrouwen die als vanzelfsprekend naast elkaar lijken te bestaan voor de man. Vaderliefde wordt bijna een gebruiksaanwijzing voor de volgende generatie: kijk goed hoe ik het doe, en neem het vooral mee. Wijdenbosch speelt de vaders met zoveel herkenbare bravoure dat de scène aanvankelijk heerlijk ontspoort. Maar ze blijft te lang in dezelfde beweging hangen. Jammer, want onder de komedie ligt een interessantere vraag: wat geef je als vader eigenlijk door wanneer je zelf nooit hebt geleerd wat vaderschap vraagt?

Echt aangrijpend zijn de momenten waarop Wijdenbosch zichzelf kleiner maakt. Ze vertelt over zeven jaar in een ‘situationship’, over hoe ze zichzelf wegcijfert omdat ze haar eigen waarde niet goed genoeg kent. Ondertussen neemt ze haar R&B-idolen met veel jeu onder handen: Usher, En Vogue en zelfs Janet Jackson, compleet met heerlijk diva-gedrag. Ze imiteert haar voorbeelden met zoveel souplesse dat je eerst vooral wilt lachen, om je daarna te realiseren wat deze liedjes haar over liefde hebben geleerd.

Ook pesten krijgt een lichamelijke herinnering op het toneel. Op school noemen ze haar ‘Miss Piggy’; ook haar Surinaamse juf zet haar voor de klas met een schrift vol rood doorgestreepte fouten. De schaamte wordt bijna tastbaar. Daar tegenover staan juf Irma, die haar als kind onvoorwaardelijk laat voelen dat ze mooi en genoeg is, en Peetje, de tante die haar en haar nichtje letterlijk komt ophalen wanneer een uitgaansavond te lang duurt. Zo wordt Vaderziel alleen gelukkig geen aanklacht tegen één afwezige vader, maar een zoektocht naar wat mensen elkaar meegeven.

De kostuums van Nomi By Naomi onderstrepen die beweging. Een lange blouse met een patroon dat aan boter-kaas-en-eieren doet denken, zou zomaar kunnen staan voor het steeds opnieuw zoeken naar een winnend patroon: wanneer ben je goed genoeg, en wie bepaalt dat eigenlijk? Aan het einde verschijnt Wijdenbosch in een kleurrijke koto, de traditionele Surinaamse dracht met rok en jasje. Ze neemt letterlijk meer ruimte in. Waar ze aan het begin onder de enorme zwarte hoed staat, lijkt ze zich nu niet langer te verschuilen onder iemand anders’ verhaal.

Het verhaal van een afwezige vader is niet gebonden aan één tijd of cultuur. Juist daarin schuilt voor mij, de recensent, de pijn van Vaderziel alleen: het gemis dat Wijdenbosch zo persoonlijk maakt, is tegelijk herkenbaar in talloze levens. Sommigen missen de aanwezigheid van een eigen vader, anderen hebben vrienden zonder vader. Wijdenbosch laat zien hoe zo’n leegte zich kan nestelen in je zelfbeeld, in de liefde die je zelf later kiest of  in het gezin dat je later zelf voor je ogen ziet. Wat betekent het om liefde te leren van wat je vooral hebt gemist? En hoeveel van onze ideeën over vaderschap, moederschap en gezin dragen we zelf weer verder?

Regisseur Priscilla Vaudelle, eerder verantwoordelijk voor onder meer BIMS, OSSO en Black Joy, weet het persoonlijke verhaal strak te doseren tussen muziek, humor, stiltes en fysieke scènes. Vooral de opbouw werkt goed: de voorstelling begint onder die vaderlijke hoed, bij een meisje dat vooral kijkt naar wat haar ontbreekt, maar eindigt bij een vrouw die zelf steeds meer ruimte inneemt. De hoed blijft boven haar zweven, maar zij staat er niet meer onder. In het slotstuk wervelt ze opzwepend dansend in kotto over de bühne.

Foto’s: Dylan Posso / Richmond Media Group