De sfeer wordt subtiel opgebouwd. Een vrouw staat op uit het publiek dat aan alle kanten om het speelvlak zit en maakt kleine, dansende bewegingen, met haar heupen en voeten kleine stapjes, met haar armen voor zich uit. Niet het ‘slowen’ zoals ik me dat herinner van het begin van de middelbare school, maar toch fascinerend, hoe door en door gekende dansbewegingen op een theaterpodium functioneren.
(meer…)
Somber gestemde schuiftrompetters openen Último Helecho (De laatste varen), de uitsmijter van Julidans 2026. In het duister dat in de lucht zwevende muzikanten omgeeft, duikt een lichaam op dat ingepakt lijkt, als een lijk met windsels. Maar het beweegt en met een stok als partner doet het zowaar een dansje. De staf zou een herdersstaf kunnen zijn, of een afgestompt sabel, maar de saterachtige verschijning doet ook aan Nijinsky denken. Regisseur Nina Laisné laat het allemaal open.
De dansende dode (François Chaignaud) blijkt een zingende partner te hebben. Nadia Larcher zingt erg mooi en met haar maken ook de muzikanten grote indruk. Het repertoire is uitgebreid – Spaans, Argentijns, Peruviaans en Braziliaans – puttend uit barok en volksmuziek van eeuwen oud tot het heden, alles bewerkt voor drie blazers, een slagwerkster, een luitist en een bandeonspeler. Het thema is steeds rouw. In alle toonaarden wordt de dood bezongen. Een folder met vertalingen wordt heel sympathiek vooraf uitgedeeld.
Daar lees ik dat het niet zozeer de dood van iemand is, als wel de dood van de wereld als geheel die bezongen wordt. De danser en de zanger zijn in prachtige kostuums gehuld, die rottend vlees bedekt met glinsterende stenen suggereren. Een van de scènes lijkt te gaan over hoe Europa naar haar eigen begrafenis kijkt. Larcher zeult met een omgevallen pilaar, waaruit wel erg veel acanthusbladeren steken. Allengs doet die aan een tombe denken, maar de vraag of Chaignaud de oude machten vertegenwoordigt, blijft open. Het is een van de vele losse eindjes in wat soms meer een kunstig aangekleed liedjesprogramma lijkt, dan een voorstelling.
De hoofdrol in de voorstelling is eigenlijk weggelegd voor decor en kostuums, door Laisné, Sarah Duvert en Florence Bruchon. Een stenen grot of barokke ruïne – de Efteling is ook nooit ver weg – biedt de setting voor een komen en gaan, dralen en smachten, wachten en verzinken dat het een lieve lust is.
Er worden vele pasjes en stapjes uitgewisseld tussen de zangeres en de danser, en ook de muzikanten doen heel vanzelfsprekend mee. Toch kan dat bewegen niet op tegen de rockende invloed van het fantasy-decor van de grot en de stenen pruiken die het rottende lichaam vervolmaken. De verstening en verrotting worden spetterend opgevoerd in het beeld, dat op larmoyante wijze wordt aangevuld door de muziek. Nergens wordt dat beeld open gebroken, alles blijft passen in de ene barokke geste van afleidende overdaad. De dans voelt daardoor als een invuloefening, passend binnen een opeenvolging van begenadigde tableaux vivants.
Último Helecho maakt indruk vanwege de spectaculaire vormgeving en ongebruikelijke combinatie van spelers en decor. Maar als voorstelling stelt het ook teleur. De beweging is buitengewoon decoratief, schept niet een eigen ruimte, noch voegt die iets toe aan het onttakelend lichaam dat reeds in kostuum en decor werd vormgegeven. En dat terwijl dat lichaam nu juist als middelpunt wordt opgevoerd. Heel tegenstrijdig, die verborgenheid, en allicht als cynisch commentaar bedoeld, maar ook dat voelde als een los eindje.
Foto: Thaïs Breton













