De meest voorkomende dynamiek tussen een spreker en een tolk in het theater is dat de spreker leidt en de tolk – vaak buiten het licht, soms niet eens op het podium – volgt. Het mooie aan de dansvoorstelling Tussen twee werelden van plan d-, is dat juist die dynamiek steeds weer op slimme manieren omgekeerd wordt. Als rapper en spoken word artiest Georgios Lazakis en theatermaker Ali Shafiee aan het begin van de voorstelling op Iraanse wijze samen de thee genieten – met kandij, gember en honing – vraagt Lazakis aan Shafiee om hem zijn verhaal te vertellen. Het is een natuurlijk begin van de voorstelling; je kunt je helemaal voorstellen dat de start van het maakproces er op een vergelijkbare manier heeft uitgezien.
De voorstelling vertelt het vluchtverhaal van Shafiee in een bijzonder spel tussen gebarentaal, muziek, poëzie en projectie. Zijn stille vlucht – zoals Shafiee’s reis naar Nederland in de voorstelling vaker wordt genoemd – start in Iran, waar een revolutie gaande is. Er komt een nieuwe machthebber, en voor iemand zoals Shafiee – doof, vrijheidslustig – is er in dat Iran geen ruimte. De reis gaat langs groffe paspoortcontroles, een bedrieglijk vriendelijke smokkelaar en een onbereikbaar Amerika, tot Shafiee uiteindelijk tussen de molens in Nederland terecht komt.
Een groot deel van dit verhaal wordt onder de regie van Andreas Denk meerstemmig verteld: gelijktijdig klinkt de poëtische taal van Lazakis (die overigens ook via een geprojecteerde ondertiteling te volgen is), en schittert de ritmische bewegingstaal van Shafiee. Het is een dansvorm die gebaren omarmt, zonder ze altijd letterlijk te gebruiken.
Het moet een verademing zijn voor de dove en slechthorende theaterliefhebber, om te zien dat gebarentaal niet alleen als middel ingezet wordt om de voorstelling toegankelijk te maken, maar juist gebruikt wordt om op een nieuwe manier een verhaal te vertellen. Want wie vertolkt in deze voorstelling wie? Lazakis’ taal het verhaal van Shafiee, of Shafiee’s bewegen de poëzie van Lazakis?
Als decor kozen de makers voor lange plastic stroken met restanten witte verf erop. Er worden bewegende illustraties van Thomas Brand op geprojecteerd die het verhaal ook in beeld dynamisch maken. Het meest aangrijpende moment is als Shafiee achter een smokkelaar aan tussen het bos vol stroken door moet sluipen, op weg naar een grens waarvan hij niet zeker weet of hij hem mag gaan oversteken. De smokkelaar bijt hem steeds toe dat hij stiller moet zijn. Het is een woordkeuze die aan het denken zet. Want de notie dat een dove persoon per definitie stil is, klopt natuurlijk niet.
Het einde van de voorstelling komt vrij abrupt, waardoor de afwikkeling van een emotionele en dramatische boog wat te wensen overlaat. Zo word je als toeschouwer vanuit een dramatische scène waarin een paspoort gestolen is, zo in een Hollandse huiskamer neergezet. Met molens op de achtergrond drinken Lazakis en Shafiee thee. Dit keer op zijn Nederlands: met een koekje en een suikerklontje. We eindigen op een wat bevreemdend patriottische noot, als het voltallige publiek dan gevraagd wordt om – dan wel zingend, dan wel gebarend – het Wilhelmus mee te zingen, dat Shafiee tijdens zijn inburgeringscursus in gebarentaal uit het hoofd heeft moeten leren.
Uiteindelijk blijft vooral hangen dat dit een bijzondere vertolking is van een indrukwekkend verhaal. Dat drukken ook mensen uit het publiek de spelers op het hart tijdens het nagesprek. Er zitten niet alleen dove en slechthorende mensen in de zaal die zich gezien voelen, maar ook mensen die zelf hun land hebben moeten ontvluchten. Dat zij hun eigen verhaal op het podium van Corrosia op een zo waardige manier naverteld kunnen zien worden is een groot goed.
Foto’s: Marion Visser