De Vlaamse maker Louis Vanhaverbeke werd opgeleid aan de Amsterdamse School for New Dance Development (SNDO) en danste de vlakkevloerzalen in met heerlijk speelse voorstellingen als het prijswinnende Kokokito (2015) en Multiverse (2016). Niet lang daarna werd het stil rond de jonge danser die met zijn grappige, ontwapenende en zwierige knutselesthetiek veel te vertellen had over de nood aan speelsheid die ons lichaam en onze geest voelen.

En nu staat hij op Noorderzon Festival met een nieuw werk. Het maakte me al blij om het te lezen. Nu ik gisteren ben geweest, is de blijdschap nog groter. Wat een mooi weerzien.

In de achterste oude hal van de voormalige Niemeyer tabaksfabriek staat een tunnelvormige half doorzichtige tent. Daarvoor staat een wat eigenaardig ogende tractor. Klein, oranje, met twee forse zwartgele fatbike-wielen en daarvoor twee brede rode kinderfietswielen, en met trappers in plaats van een gaspedaal. Louis Vanhaverbeke loopt er wat omheen in een T-shirt van het tractormerk John Deere en met een petje over het inmiddels veel langer gegroeide haar.

Wanneer een voice-over in het Engels begint te vertellen dat we kijken naar een boer die blij zijn net nieuwe John Deere tractor bestijgt, het model uit 1924, zwengelt Vanhaverbeke zogenaamd de motor aan en rijdt rustig trappend een rondje. Uit zijn tentschuur haalt hij een aanhager, bevestigt hem aan de trekker, en rijdt een streep landbouwgrond uit over de fabrieksvloer, om die in het verloop van de voorstelling te gaan platwalsen, omploegen, inzaaien, uitzetten, bemesten en besproeien.

Dat doet hij allemaal met speciaal hiervoor gebouwde mini-werktuigen en verrassende mechanieken. Ook de gewassen, het ongedierte en zelfs de muzikale boerderijdieren hebben een heerlijk hoge DIY-factor.

Intussen zingt boer Vanhaverbeke soms een lied, met de wat bescheiden, onnadrukkelijke intonaties die ik nog van hem ken, van toen. Het gaat in die soms spoken word-achtige poëzie over een hoofd vol patatten, over instorten, medicijnen en kunstmest, over aarden, over overeind komen en de grond te zien geven wat een mens nodig heeft.

Er zijn ook andere stemmen te horen. Een boerin vertelt vol vuur over wat er zo mooi is aan haar werk, en aan de plek waar dat werk zich afspeelt. In een stedelijke omgeving voelt ze zich soms plotseling eenzaam, ondanks al die mensen. Op het land heeft ze dat nooit. Daar, waar de omgeving niet om mensenstromen heen bedacht is, maakt ze deel uit van iets groters.

Stukje bij beetje maakt hij als boer een veld vol voedsel, een bezigheid die leven geeft, en ritme, en verantwoordelijkheid, en een duidelijke vijand in de vorm van een buitenmaatse vraatgrage naaktslak. Tegelijk komen we stukje bij beetje bij de oorzaak van zijn verdwijning uit de theaters. Hij kwam mentaal in de put te zitten. Het kostte tijd. Tijd waarin hij de biologisch-dynamische landbouw ontdekte en zich erin bekwaamde, nieuwe mensen en een nieuwe wereld leerde kennen, en anders naar de dingen ging kijken.

Het lijkt misschien voor een snelle lezer wat plat en simpel, de parallel tussen het werk als boer en een geaarde persoonlijkheid en die andere kant, die ik niet te vast wil leggen in woorden die niet komen van de man zelf die het overkwam. Maar dit is wat er echt gebeurde, met een jonge mens die we kenden en uit het oog verloren in dat hoogspanningsgebied dat het theaterveld ook is.

Vorm en verhaal kloppen. De jongen met zijn emmertjes en speelgoed en zijn grote showletters is de man met zijn trekker en zijn zanderige knieën. Daartussen werd iets platgewalst en omgeploegd. Maar zeker ook iets ingezaaid. Ga maar kijken hoe het groeit.

Foto: Lucas de Wit