De WijkJury’s zijn in opmars. Nederland kent dit seizoen elf verschillende jury’s van ongeoefende theaterkijkers. Dat zijn er zeven meer dan vorig jaar. In België staan drie WijkJury’s in de steigers. ‘Er is een enorme beweging voelbaar’, zegt landelijk coördinator Julie Peters. (meer…)
Tot het is wat het moet zijn kwam tot stand als onderdeel van een veranderingstraject binnen de Politie Eenheid Amsterdam. De voorstelling legt op boeiende wijze de kracht én zwaktes van de theatrale methode van Female Economy bloot – werkt radicale empathie ten opzichte van (institutioneel) racisme?
‘Een fijne overeenkomst tussen politie en acteurs: wij treden op.’ Op karakteristieke wijze opent Adelheid Roosen de theateravond Tot het is wat het moet zijn. Kenmerkend voor haar kunstenaarschap is het overbruggen van afstand, het zien van gelijkenissen met de ander en het in de praktijk brengen van radicale empathie. De ‘adoptie’-methodiek die ze met de Wijksafari’s ontwikkelde, waarbij acteurs/theatermakers maandenlang meelopen in het leven van een burger (een wijkbewoner, een AZC-bewoner, een thuisloze), werd ook voor deze voorstelling toegepast: tien duo’s van acteurs en politie-agenten gingen met elkaar de ontmoeting aan.

Aan het begin van de voorstelling worden we als bezoekers zelf ook aan elkaar gekoppeld: iedere avond bestaat het publiek uit zestig burgers en zestig agenten, en zo worden er dus ook duo’s van toeschouwers gemaakt. Het boeiende gesprek dat dat in mijn geval oplevert gaat in eerste instantie over de balans tussen de veiligheid en de waardigheid van de burger. Mijn gesprekspartner legt uit dat ze zich altijd door de grondwet laat leiden en als agent haar discretionaire bevoegdheid kan gebruiken om protocollen en wetten niet tot onrechtvaardigheid te laten leiden. Mocht ze ooit door extreemrechtse wetgevers gedwongen worden de grondwet aan haar laars te lappen, neemt ze ontslag.
Dat vormt een enorm contrast met de eerste echte scène van de voorstelling. Daarin spreekt prof. dr. Gloria Wekker met een van de adoptie-agenten, die meteen als PVV’er wordt geïntroduceerd. Doodgemoedereerd legt hij uit dat hij geen minderheid wil worden in zijn eigen land, dat Nederland weer witter moet worden en dat dat letterlijk betekent dat er meer witte mensen en minder mensen van kleur moeten komen. Het bewonderenswaardige geduld en de wetenschappelijke kennis van Wekker en de interventies van de andere spelers ketsen totaal op hem af.

Het is bijzonder boeiend dat Roosen daarmee meteen bij aanvang van Tot het is wat het moet zijn een piepende en krakende stress test van haar methode uitvoert. De scène voelt als een treffende metafoor van het Nederland van de afgelopen twintig jaar: mensen van goede wil buigen achterover om mensen met racistische denkbeelden met empathie tegemoet te treden, met als enige gevolg dat die denkbeelden steeds salonfähiger zijn geworden. Als acteur Kevin Klein tegen de agent zegt ‘dat hij hem niet veroordeelt’ wil je hem als toeschouwer eens flink door elkaar schudden – hier is een politiefunctionaris, iemand met toegang tot het geweldsmonopolie van de staat, die zonder blikken of blozen toegeeft dat hij witte mensen meer rechten toekent dan mensen van kleur. Als we dát niet eens veroordelen, waar zijn we dan in Godsnaam mee bezig als samenleving? Het is de tolerantieparadox van Karl Popper in levenden lijve.
De voorstelling biedt een structuur die langzaam van totale moedeloosheid naar hoop leidt, door de meest problematische agent als eerste aan het woord te laten, en af te sluiten met de agenten die intern voor verbetering strijden. Activist en spoken-word-kunstenaar Zaïre Krieger werd gekoppeld aan een agent die al heel wat meer openstaat voor haar ervaring met politiegeweld, maar ook in hun gezamenlijke scène is het ontluisterend hoe weinig zelfreflectie hij in het gesprek aan de dag legt.

Pas later komt in een videogesprek met Nazmiye Oral een agent aan het woord die hard heeft gewerkt om slachtoffers van seksueel geweld zich veilig te laten voelen om aangifte te kunnen doen (maar daar weinig erkenning van haar collega’s of superieuren in ervaart). En de voorstelling sluit af met een inspirerende monoloog van Janis Tamsma, leidinggevende bij de Politie Amsterdam en mede-initiatiefnemer van het project, waarin ze pleit voor een nieuw soort leiderschap bij de politie, waarin verbinding met de burger centraal staat.
Het humanisme van Roosen en Female Economy levert in Tot het is wat het moet zijn schitterende gesprekken en scènes op. Oral en ‘haar’ agent bonden over hun gezamenlijke geschiedenis met seksueel misbruik en over het feit dat je als vrouw van kleur in zowel de filmwereld als het politiebedrijf met discriminatie en uitsluiting te maken krijgt. Tussen Klein en Wekker ontstaat een scherpe uitwisseling over of het de beste strategie is om racisme te benoemen, historisch te kaderen en te ontmantelen of om zo veel mogelijk te doen alsof het niet bestaat. En in de mooiste scène van de voorstelling brengt Krieger een krachtige én kwetsbare ode aan het lichaam, waarin ze ook haar ‘uniform’ als ballroom-danser met het uniform van een politieagent vergelijkt. Lopen beiden niet het risico tot hun uniform gereduceerd te worden?
Tegelijkertijd heeft de mensgerichte insteek ook tekortkomingen: een institutionele analyse blijft grotendeels buiten beeld. Als er iets interessants wordt gezegd – zoals de mogelijkheid dat de politie ongewild mensen tot PVV-stemmers opleidt, of de vraag of politiemensen niet naast het trainen van geweldstoepassing even gestructureerd aan intermenselijke vaardigheden zouden moeten werken – wordt dat slechts aangestipt en niet verder uitgewerkt. De verantwoordelijkheid voor verbetering komt zo wel erg op de schouders van individuele agenten terecht, zonder dat er wordt ingegaan op hoe de origine, codes en structuur van het instituut zelf tot bepaalde uitkomsten leiden – en wat je daaraan zou kunnen doen.
Maar de kracht van Female Economy ligt dan ook niet bij analyse en normering, maar bij het voeren en in stand houden van een gelijkwaardig gesprek. Sterker dan ooit laat Tot het is wat het moet zijn zowel de absolute noodzaak als de mogelijke blinde vlekken van die strategie zien.
Foto’s: Sanne Peper













Waarom beperk je dit project qua locatie alleen tot Frascatie?
Beste Dulci,
je stelt je vraag eigenlijk op de verkeerde plek, wij als Theaterkrant kunnen dat niet beantwoorden. Je kan beter even een mailtje aan het gezelschap sturen hierover: info@FemaleEconomy.nl.
Warme groet,
Marijn.