De opera Tosca van Giacomo Puccini is van 1900 en speelt honderd jaar eerder, in Rome, in de Napoleontische tijd. De Australische regisseur Barrie Kosky heeft deze populair en tamelijk gruwelijke opera niet willen zien als een negentiende-eeuws melodrama, maar als een vroeg twintigste-eeuwse, misschien zelfs een eenentwintigste-eeuwse muziektragedie. (meer…)
De aankondiging van Puccini’s opera Tosca door Opera Spanga is nogal heftig: ‘Een onvervalst staaltje grensoverschrijdend gedrag wordt zonder noemenswaardig protest verdragen door iedereen die erbij staat, en ernaar kijkt.’ Heftig, én nogal opzichtig aanhakend bij de actualiteit.
De opera speelt in een boerenschuur in Weststellingwerf, dus wel op locatie, maar geheel binnen. De boerenzwaluwen kwetteren af en toe mee met de muziek, dat dan weer wel. Regisseur Corina van Eijk maakt er, zoals in al haar regies, geen weldadige opera van, maar brengt zowel in decor als muzikale uitvoering alles back to basic. Dat klopt goed bij Tosca, een opera uit het genre van de rauwe verismo.
Als we het in Tosca (1900) hebben over grensoverschrijdend gedrag, dan geldt baron Scarpia (bariton David Visser), de gewetenloze politiechef en wellustig folteraar, als het ultieme voorbeeld. Hij heeft zijn zinnen gezet op Floria Tosca, de onschuldige zangeres die verliefd is op kunstschilder Mario Cavaradossi. Tosca, meeslepend gezongen door sopraan Aylin Sezer, brandt van jaloezie, meteen al bij haar opkomst in de eerste scène, bij de eerst akkoorden.
Woedend en driftig klopt ze op de deur van de kapel, waar Mario werkt aan het portret van een dame met blond haar en blauwe ogen. Ze stuift binnen, ze hoort nog het geritsel van haar rokken en Mario’s fluisterstem. Hij sust haar: de dame in kwestie is slechts een devote vrouw die bidt voor Madonna. Maar de jaloezie van Tosca ontvlamt, zij met ‘haar zoete ogen van liefde en zwarte ogen van razernij’, zoals tenor Mario (Juan Carlos Echeverry) zingt. Tosca eist: ‘Maak haar ogen zwart!’ Haar vermeende rivale is niet meer dan een schilderij, betoogt Mario.

Van Eijk plaatst Tosca in het Italië van Mussolini, zijn portret hangt vanaf de tweede akte pontificaal in het decor. Helemaal nieuw is dit niet, de Reisopera koos al eerder voor deze setting, in 2003. Oorspronkelijk speelt het verhaal, naar La Tosca (1887) van de Parijse toneelschrijver Victorien Sardou, zich af in 1800 in Rome. De fascistische context van Il Duce is niet echt wezenlijk voor de verhaallijn, behalve dat de kostumering bruin en grauw is en de bloeddorstige handlangers van Scarpia griezelig zijn, met extra lof voor de vals-wrede paladijn Spoletta (Koen Masteling).
In de muzikale leiding van Tjalling Wijnstra, die de partituur transformeerde voor een klein maar effectief spelend ensemble (met prachtige blazers!) is deze opera noir vooral een noodlotsopera, al bij de eerste dreigende klanken. Dat is tevens leidmotief dat in tal van variaties terugkeert wanneer Scarpia optreedt. Hij is de berekenende arrangeur van het drama: hij begeert Tosca en om zijn lust te stillen eist hij haar voor één nacht.
Inzet van zijn chantage is de schilder Mario, die de politieke voortvluchtige Angelotti in de kapel en later in zijn villa verborgen houdt. Mario wacht de galg, of eigenlijk: het vuurpeloton. Alleen Tosca kan zijn leven redden door zich aan Scarpia te geven. Dit is het dramatische, duivelse dilemma in het krachtenveld tussen Tosca, Mario en Scarpia. Mooi detail is dat Scarpia enkele keren refereert aan dat andere stuk over moordende jaloezie: Othello van Shakespeare. Inderdaad, tussen Jago en Scarpia zijn veelzeggende overeenkomsten. Wakkert in Othello een zakdoekje de jaloezie aan, hier is het een waaier.
Het lijkt of één enkele regel uit de zangpartij van Scarpia de invalshoek van de regie bepaalt: ‘Ha più forte sapore…’ In vertaling: ‘Verkrachting windt me meer op dan consensus.’ Maar Tosca is voorbereid, dát is beslist een van de ingenieuze momenten. In zoveel andere regies doodt zij de bruuske Scarpia met een broodmes dat ze bijna toevallig van tafel grist (zoals de regieaanwijzing geeft) of zelfs met een kruis dat in de kapel hangt. Nu houdt ze onder haar zwarte kousenband een wapen verborgen. Subliem detail. Datzelfde wapen (ik zal niet prijsgeven wélk wapen) zaait de dood. Let op: Tosca springt aan het slot niet van de hoge transen van de Engelenburcht, de gevangenis en martelkamer waar de derde akte zich afspeelt. Dat Tosca bewapend is, weerspreekt de stelling van de campagnetekst: zij tekent juist wél protest aan.
Tosca is een van de meest opgevoerde opera’s uit het repertoire. De filmische muziek van Puccini in combinatie met het overrompelende verhaal maken het stuk schokkend, sensueel, wreed ook. Deze Weststellingwerfse versie maakt duidelijk dat Tosca écht van kunstschilder Mario houdt, en het is helemaal de vraag in hoeverre die liefde wederzijds is.

Tenor Echeverry als Mario toont zowel in wat matte zangstem als in handeling in de verste verte niet de passie van Tosca; hij stuurt haar eerder weg dan dat hij haar omarmt. Dat maakt Tosca extra eenzaam. Hierdoor ligt de dramatische spanning vooral tussen Scarpia en Tosca, waarbij Sezer in schitterend gezongen en gespeelde nuances laat zien dat ze niet ongevoelig is voor de erotische aantrekkingskracht van de baron, hoe fataal die ook is. Zij voelt zich verraden en misbruikt, alsof zij schuldig is aan Mario’s dood.
De sleutelaria is die waarin zij zich afvraagt waarom God haar zo straft, tegen het eind van de tweede akte: ‘Vissi d’arte, vissi d’amore.’ (‘Ik leefde voor de kunst, ik leefde voor de liefde.’) Schitterend gezongen door Sezer, deze aria van de zelfrechtvaardiging en van de pijn, gericht tot Scarpia. De verwikkelingen naar het eind toe gaan snel en explosief, en het voorgeschreven slot dat Tosca in de leegte (nel vuoto) springt, is geschrapt. Plots is er overal de dood, de noodlotsthema’s klinken onverbiddelijk uit de orkestbak. Sezers Tosca raakt je diep.
Beeld: Robbe Van der Vloet













