Rennen van Gennep naar Palermo, 72 marathons in 112 dagen. Niet voor geld of een of ander wereldrecord, maar gewoon, voor de positiviteit. Coen Cuijpers (avonturier, schrijver, verteller, aldus zijn website) deed het, en maakte er een voorstelling over: Rennen voor geluk.
In Tijd voor geluk heeft ieder van de acht acteurs op het podium een blokfluit. Ze zitten op een kleine tribune op een verder witte toneelvloer, en als ze beginnen te spelen waan ik me even in het muzieklokaal waar ik als kind blokfluit leerde spelen.
Het is een nostalgisch instrument, dat met zijn fragiele klank meteen een wereld oproept. Het doet denken aan muziek leren maken, aan kind zijn, aan ontdekken wat het betekent om geluid te kunnen maken. Thijs van Vuure, die opnieuw de muziek van deze voorstelling van ITA maakte, vergelijkt de blokfluit met de stem. Even kwetsbaar, even eerlijk. Het instrument werpt meteen aan het begin van de voorstelling een vraag op, die het hele stuk door blijft galmen: wat betekent het om te klinken?

Een moeder, gespeeld door Marieke Heebink, neemt Een dochter, Ilke Paddenburg, mee naar een bankje aan een rivier. Ze vindt het er prachtig en wil dat aan haar kinderen laten zien. Samen met haar dochter wacht ze op haar zoon, Axle. Ze weten het nog niet, maar Axle heeft besloten dat hij zal verdwijnen. De dochter is al lange tijd niet meer thuis geweest, en tast in een gesprek met haar moeder af wat er nog over is van hun relatie, wat er ooit precies geweest is.
In dit gesprek, dat door alle uitgesproken emotie over onuitgesproken dingen uitermate geestig en op momenten herkenbaar is, wordt al vrij snel duidelijk dat deze voorstelling zal gaan over hoe we met elkaar praten. Hoe we het een denken en het ander zeggen. Hoe we ons met taal al dan niet kunnen binden aan een ander. Heebink en Paddenburg zetten in deze dialoog met hun scherpzinnige spel de toon van de voorstelling. De twee wisselen behendig af tussen afstand houden en samenkomen.
Terwijl ze wachten op Axle, voegen zich andere personages bij het tweetal op het bankje. Er komt Een buurman langs, Steven van Watermeulen, die bij het bankje afgesproken heeft met zijn ex-vrouw. Moeder en dochter schrikken als hij plots voor hen staat, willen dat hij weggaat, maar zeggen het niet. Ook Een ex-vrouw, Maria Kraakman, komt langs en doet haar deel van het verhaal. Als Een weduwe, Een vaderloze en Een andere vaderloze (‘Ntianu Stuger, Janni Goslinga, Jasper Stoop) naar de rivier afdalen om een plek uit te zoeken voor het graf van de overleden vader, wordt het wel erg druk op de bank die al deze personages afzonderlijk van elkaar ooit zo’n rust bood. Niemand heeft initieel echt een boodschap aan de aanwezigheid van de ander, en toch toetsen ze stuk voor stuk hun verhalen aan elkaar af.

Tijd voor geluk, geschreven door de Noorse toneelschrijver Arne Lygre, speelt een ingenieus spel met de (on)toereikendheid van de taal. Wat betekent het om iets tegen iemand te zeggen? Kun je iemand met woorden overtuigen om van je te houden, niet bij je weg te gaan? Kun je iets dat iemand gezegd heeft vergeven? De scherpe, humoristische en tegelijkertijd diep ontroerende dialogen van Lygre komen in de regie van Bianca van der Schoot buitengewoon sterk uit de verf.
De uitvergrote emotionele uitbarstingen van de personages steken sterk af tegen de witte toneelvloer, bijna net zo sterk als de emmer blauwe verf die erop wordt omgegooid. De spelers komen op in grote, abrupte lijnen, spiegelen elkaar, vallen naar de vloer, en maken daarmee vormelijk hoe hopeloos ingewikkeld het kan zijn om je tot een ander te verhouden.
Naast Axle (en in het tweede deel van het stuk zijn wederhelft David), hebben de personages in Tijd voor geluk geen namen. Ze noemen zichzelf bij hun titel. Een moeder, Een dochter, Een buurman, etc. Het zijn allemaal titels die enkel bestaan in functie van een ander. Een moeder zou geen moeder zijn als er niet (ooit) iemand is (geweest) om moeder over te zijn, een buurman evenmin. Deze naamloosheid van de personages zet in concrete vorm voort wat er in het web van verhaallijnen wordt verteld: wat betekenen we voor een ander, en wat betekenen we voor onszelf?
Axle, die een naam heeft die wel op zichzelf bestaat, besluit om te verdwijnen. Hij was al onderweg toen hij zich bedacht dat hij zijn moeder en zus niet achter kon laten zonder een woord te zeggen. Dus ook Axle, gespeeld door Minne Koole, komt aan bij de rivier. Hij deelt het mede: hij moet een pauze van alles en iedereen die hij lief heeft om zichzelf met nieuwe ogen te kunnen zien. Hij moet verdwijnen. Maar hij komt terug, laat zijn moeder hem beloven. ‘Dit heeft niks met de dood te maken’, zegt ze vaak genoeg totdat ze het zelf gelooft. Het is, na een breed palet aan grote emoties langs te hebben zien komen, een windstil moment in het stuk. Misschien door het spel van Koole, die in zijn prachtige vertolking van Axle (en later ook van diens geliefde David) een vertederende rust over weet te brengen. Zoals degene in een familie dat doet die iedereen tevreden wil houden.
Na de pauze verwikkelt het verhaal van de zelfverkozen verdwijning van Axle verder in de levens van nieuwe personages. Daar waar het eerste deel van de voorstelling vooral ging over wat jij betekent voor een ander, lijkt het tweede deel meer te gaan over wat een ander kan betekenen voor jou. Het gaat over het belang van samenzijn. David, die zijn geliefde Axle net verloren is, wil mensen om zich heen. Vrienden, familie, buren. Hij houdt van mensen.
De acteurs nemen in dit tweede deel een andere rol aan, krijgen een andere titel. Een vaderloze wordt Een moederloze, Een buurman Een buurvrouw. En daar waar het samenzijn in het eerste deel van de voorstelling een gedwongen en per ongeluk samenzijn was, met alle ongemakken van dien, komen de personages nu samen omdat ze samen willen komen. Omdat ze iets van elkaar nodig hebben, iets voor elkaar kunnen betekenen.
Het is een uitzonderlijke voorstelling voor het gezelschap. Een voorstelling die bedachtzaam en voorzichtig het menszijn aftoetst. Eline Arbo, artistiek leider van ITA, noemt het stuk: ‘onze viering van het samenzijn’. Die viering komt in het laatste deel van Tijd voor geluk volledig tot uiting. Zo zet Marieke Heebink als Een andere moeder, al haar medespelers aan tot zingen. ‘I sit and wait; Does an angel contemplate my fate?’ begint ze.
Er is bijna niks dat samenzijn zo mooi weergeeft als een groep die samen zingt. Een koor, bestaande uit werknemers van ITA, voegt zich bij de spelers op het toneel. Samen, onder begeleiding van een elektronisch orgel en trotse blokfluiten, brengen ze een versie van Angels van Robbie Williams. De achterwand van de Rabozaal wordt opengetrokken, het laatste daglicht valt naar binnen. Als Jasper Stoop met een vloer-schrobmachine opkomt, ben ik terug in het muzieklokaal van het begin, aan het einde van een blokfluitles. Ik begrijp het instrument iets beter dan ervoor. Als enige blijft Stoop klinken, terwijl de rest van het koor het podium afdruppelt. De vloer wordt weer wit; zijn stem klinkt breekbaar en eerlijk.
Foto’s: Fee Golin en Dim Balsem












