Nog voordat het licht aangloort, horen we hun muzikale inzet. Het licht ontdekt vervolgens drie dansers die, zichzelf begeleidend met body-percussie en stem, tezamen op een kluitje staand elkaar uitdagen, stimuleren en ondersteunen met korte, razendsnelle combinaties van inventieve moves. Hoekige sequenties in een strak ritme vol onverwachte afwisseling, meestal ingezet door een van hen en overgenomen door de andere twee. De vreugde waar in de titel sprake van is, straalt van hun samenzijn af.

Het is de engagerende prelude tot een rijke voorstelling, waar uiteindelijk de body-percussie uit het begin zich ontwikkelt tot een vorm van zelfkastijding aan het eind, als de Kameroens-Engelse choreograaf Joseph Toonga een heftige solo uitvoert. Daarvóór is hij slechts getuige geweest bij de sequenties van de drie jongere mannen. Zijn aanwezigheid laat te raden. Is hij soms de geest van de Afrikaans-Amerikaanse socioloog W.E.B. Du Bois, die al begin van de voorbije eeuw analyseerde hoe complex het bewustzijn is van de zwarte man die in een overheersend witte wereld naar zichzelf kijkt? Of staat hij voor iemand die het allemaal wel ziet, maar zich er afstandelijk bij neerlegt en er nooit tegen in opstand komt. Als tegen het eind de andere dansers collectief tegen deze vierde schreeuwen dat hij zijn mond open moet doen, lijkt dat inderdaad eerder het geval te zijn.

Dat zelfbeeld roept ook heden ten dage nog immer conflict op, zowel met de buitenwereld, onderling, als ook met het eigen zelf.  Dat is het thema van dit werk. In de choreografie lijkt het schijngevecht het meest terugkerende element. Soms is het een gevecht met de omgeving, soms met elkaar, maar het meeste toch met zichzelf. De ensembles lijken vormgegeven als straatprotesten en demonstraties, het gooien van denkbeeldige stenen naar de tegenstander is een vaak terugkerend motief. Op andere momenten manipuleren twee van de dansers de bewegingen van de derde, die onderworpen wordt aan de opgelegde dwang. Of gaat het juist om hun hulp waardoor de derde danser overeind kan blijven en door kan blijven gaan? Deze dubbelzinnigheid is een voorbeeld van de rijkdom van het idioom dat Toonga voor deze voorstelling ontwikkeld heeft.

Tegenover het fysiek expressieve idioom, met verwijzingen naar of geïnspireerd door crump, staat een aantal indrukwekkend verstilde momenten waar de dansers zich vinden in een andere, verinnerlijkte vorm van samenzijn. Momenten van zelfrealisatie, solidariteit, dan wel pure uitputting, completeren de dynamische (zelf)portretten die ze schilderen. Ze dragen allemaal hetzelfde t-shirt met het opschrift BBF maar de rest van het kostuum is niet uniform: het blijven individuen die zich verenigd hebben rondom het festivalthema.

Op gezette tijden breekt een solo door uit deze hechte en geserreerde ensemble-choreografie. De solo’s gaan soms gepaard met luid maar woordeloos geschreeuw, waar de pijn geuit wordt. Het gaat om ervaringen die, ondanks dat ze gedeeld kunnen worden, hun pijnlijkheid niet verliezen.

Er spreekt een buitengewone oprechtheid uit alles wat de dansers doen. Bij elk van hen is een innerlijke dwang aanwezig die onontkoombaar gecommuniceerd wordt. Hierdoor lijkt het uur dat de voorstelling in beslag neemt een impact te hebben gelijk aan het lezen van een heel boek, het bekijken van een complete speelfilm of het zien van een lange documentaire. Het is een verrijkende ervaring en de dansers sluit je als publiek geheel in je hart.

Foto’s: Karin Jonkers