Waar een halve eeuw geleden werknemers zich nog vastbeten in de productie van koffie, kauwgom, tabak en puddingpoeder, duiken nu dansers op, gemaskerd als Dokter Pest. Met zwarte mantels glippen ze tevoorschijn vanachter stalen balken in de monumentale constructie van de Van Nellefabriek aan de Schie in Rotterdam. 
Soms pikken ze met hun snavel een spartelende ‘geïnfecteerde’ eruit en ‘omvleugelen’ hem tot hij rustig ‘slaapt’ of ‘sterft’. In dit Glazen Paleis, icoon van het Nieuwe Bouwen, zoekt Scapino Ballet Rotterdam de komende dagen beschutting tegen de coronapandemie, om volgens alle afstandsregels toch een ruim opgezette dansvoorstelling te presenteren: The Blend.

Visueel ogen de ranke luchtbruggen van staal en glas een fraai koel decor; akoestisch werken ze minder fijn. Dat wreekt zich bijvoorbeeld in het derde en laatste gedeelte van The Blend tijdens de live muziek van Dox (rapper Unorthadox, alias Robert Coenen), bijgestaan door saxofonist Alessandro Russo, turntable-ist Enio Ramalho en basgitarist Bruno Ferro Xavier da Silva. Van de Engelstalige rapteksten vang je slechts flarden op, iets in de geest van ‘Where the beginning ends and the end begins.

Jammer, want met deze halve clichés blijft het gissen naar wat Dox als springerige Robin Hood ons wil meegeven. Zoals Colin Benders al musicerend zijn Kyteman Orchestra dirigeerde, zo verleidt Dox druk gesticulerend zijn muzikanten om hun instrumenten te laten gieren. Ook springt hij rond tussen zeven dansers van Scapino, voor wie hij zelf een woeste choreografie heeft gemaakt. Ellen Landa zwalkt bijvoorbeeld schuimbekkend over het podium, ze rilt en trilt en klampt zich vast aan de basgitarist, die zojuist nog met de hals van zijn instrument dansersgroep en publiek heeft ‘neergemaaid’.

Eigenlijk bestaat Inspiritu (we evolve) volledig uit dit soort stuurloos ogende oprispingen. Als intrigerend experiment valt het zeker te waarderen dat artistiek leider Ed Wubbe een rapper de vrijheid geeft een choreografie te maken voor zijn professioneel getrainde Scapinodansers. Maar Dox doet alsof hij op een groot popfestival staat en overvleugelt de dansers met zijn breed-benige gehuppel, dat lachwekkend en amateuristisch afsteekt bij de verfijnde motoriek van de dansers. Tja, dan helpt die slechte akoestiek ook niet mee.

Veel passender bij het industriële monument is het geconcentreerde Carried Alive van de jonge Nederlandse choreograaf Justin de Jager. Als breakdancer is De Jager gespecialiseerd in het zogeheten ‘threading’: het aaneenrijgen van bewegingen door met ledematen cirkels te maken en daar de rest van het lichaam doorheen te steken of trekken. Nu laat hij vier dansers – Maya Roest, Dalma Doman, Mischa van Leeuwen en Filip Wagrodzki – op langgerekte klanken en overstuurde elektronica heel geconcentreerd hun eigen sluip-door-kruip-door-parcours vormen. Met schier onmogelijke, achterover hellende lichaamshoudingen tot gevolg. En met scherpe details, zoals het klappen van een sokkenhak, het kleven van voorhoofden en het draaien van ellenbogen (als wielen van een stoomlocomotief). Wel is de sfeer van Carried Alive nogal ernstig – met een serieuze frons op het voorhoofd van Roest. Wat ontspanning kan Carried Alive nog versoepelen.

Tussen deze twee uitersten in, zit het dromerige What remains van de Spaanse choreografe Alba Castillo. In grijs-zwarte kostuums spelen zes dansers verstoppertje achter witte, gevouwen konijnenmaskers. Dit ‘haasje wisselen’ mixen ze met lichtvoetige sprongen, alsof ze van steen naar steen hoppen in een rivier. Ook blazen ze gezamenlijk een minuscuul vliegertje de lucht in. Het wanhopig klimmen van dit dartele dingetje vormt een kleurig lichtpuntje in het grijs-zwart-witte decor. Maar Castillo’s droomwereld vervliegt nog snel, als weggeblazen vloeipapier. What remains ademt net te veel de poëzie van een lichtgewicht.

Foto Inspiritu (we evolve), Bas Czerwinski