Het thema van The Amsterdam Storytelling Festival 2019 is ‘verslaving’, in al haar facetten. Van porno tot heroïne of verhalen: het Storytelling Festival bewijst ook dit jaar weer de kracht van dit onderbelichte toneelgenre.

In het Engelstalige What does it take? (to be me) neemt de Israelische theatermaker Roie Biran ons mee in een muzikale geschiedenis van zijn leven. Hij is een begenadigd verhalenverteller en muzikant. De vrolijke energie waarmee hij over zijn jeugd vertelt en de liefde waarmee hij voor ons de muziek van Tom Waits speelt, doen hem nog het meest denken aan een hedendaagse troubadour.

Helaas is Biran inhoudelijk een van de mindere vertellers dit jaar. Zijn persoonlijke anekdotes (bijvoorbeeld over hoe hij als kind met grote tegenzin toch van de accordeon leerde houden) zijn vertederend, maar wanneer hij deze kinderlijke onschuld probeert te verbinden met een grotere, universele boodschap overstijgt Biran zelden de clichés van een gemiddelde lifestylecoach.

Theatermaker Jacqueline Korevaar is gefascineerd door verhalen uit andere culturen en religies. Zo is De grijns van een Djinn gecentreerd rond de parabel van De Dwerg (sic) van Basra, één van de verhalen uit 1001 nacht. In dit verhaal wordt de dood van een dwerg meermaals verdoezeld, tot iedereen achtereenvolgens aan de sultan opbiecht hoe deze omgekomen is. Korevaar combineert dit met verhalen rond haar verhuizing naar de Spaarndammerbuurt, met name haar verbazing rondom de buurtbewoners.

De manier waarop Korevaar echter over haar nieuwe buren praat, bijvoorbeeld wanneer ze vertelt hoe zij hen ontdekt heeft, creëert echter een vreemd gevoel van exotisme – alsof haar buurtbewoners een fascinerende, nieuwe soort zijn en Korevaar een ontdekkingsreiziger. Het laat een vreemde smaak in de mond achter, zeker met de grote inkomstenverschillen in de Spaarndammerbuurt in het achterhoofd. Desalniettemin is ook Korevaar een krachtige en innemende verteller, die je zonder enige inspanning in luttele seconden van Amsterdam naar de Perzische Golf weet te brengen.

Hoogtepunt van het festival was Andy, een sterke en ontregelende monoloog over een dansstudent die over een heroïneverslaving heen probeert te komen. De tekst was oorspronkelijk geschreven door Chase Rhys, een jonge queer toneelschrijver uit Zuid-Afrika. Bij een kunstproject ontmoette hij de Nederlandse theatermaker Margo van de Linde, in wie Rhys de gedroomde performer van Andy zag. Het is moeilijk om Rhys ongelijk te geven. Van de Linde weet vlijmscherp te schakelen tussen de kwetsbare en gevoelige ik-figuur en de bijna vileine Andy, die de ik-figuur terug de afgrond van de heroïneverslaving in duwt.

Het is een ijzingwekkende (Engelse) tekst, met name in de wijze waarop Rhys en Van de Linde van de ik-figuur een begripvol personage maken. Je begrijpt heel goed waarom zij de foute stappen maakt en je hart breekt terwijl je haar die stappen ziet zetten. Aangevuld door een schitterende live soundscape van Henning Luther, creëert Van de Linde met Andy een ontluisterend portret van een verslaafde.

Thomas Kok, alumnus van de Mezrab Storytelling School, brengt ook een verslaafde op de planken. In het Engelstalige The Dark Side of Porn toont Kok ons een man wiens wereldbeeld, perceptie van vrouwen en verwachtingen van seks totaal verstoord zijn door zijn grootschalige pornoconsumptie. Vrouwen zijn voor deze man, een (hopelijk) gefictionaliseerde versie van Kok, niets meer dan lustobjecten. Dingen om te neuken en vervolgens aan de kant te schuiven.

The Dark Side of Porn is een moderne hervertelling van een oud Perzisch sprookje, over een man die altijd zwart droeg omdat hij zijn geduld niet kon bedwingen. Kok regelt een afspraak met een nieuwe collega op zijn werk, de jonge, Russiche Vika van wie Kok ontdekt heeft dat ze een voormalig pornoster is. Hij stelt haar voor om zeven dagen en nachten door te brengen in een hotelkamer, met als enige voorwaarde dat ze elkaar niet aan mogen raken. Als hen dit lukt, zullen hun levens voorgoed veranderen. Kok houdt het met moeite vol: hij vertelt openhartig over de vele fantasieën die Vika bij hem oproept en schuwt daarbij de details niet.

Het schaamteloos en expliciet tonen van ingeprente misogynie en giftige (soms zelfs ronduit gewelddadige) verwachtingen van seks is een delicate grens om op te balanceren. De ernst en openheid die Kok in het eerste deel van de voorstelling toont is ontregelend, maar maakt een kwetsbaarheid zichtbaar die dit personage humaniseert. Het maakt de ronduit vulgaire taal tragisch: we zien hier een slachtoffer van een grotendeels gevaarlijke industrie, gehersenspoeld en vrijwel machteloos om weer een gezonde perceptie van seks te krijgen.

Op een gegeven moment slaat de ernst over in trots, waardoor de kwetsbaarheid volledig wegvalt. Dit resulteert in een ronduit walgelijk figuur, een oprechte vrouwenhater die zijn impulsen niet kan bedwingen. Na een geïmpliceerde verkrachting van Vika, wordt Kok wakker en krijgt hij een zwarte outfit aangereikt: hij zal, net als de Pers, enkel nog zwart dragen als herinnering aan zijn ongeduld. Met de klaagzang die volgt is dit werkelijk het meest verbazingwekkende einde dat ik in tijden in het theater heb gezien. En dat is geen compliment. Kok lijkt te willen zeggen dat we moeten beseffen hoe giftig (overmatige) pornoconsumptie is, maar laat dit inzicht pas komen ná een geïmpliceerde verkrachting. Kok lijkt te pleiten voor begrip en vergiffenis en zet deze man neer als een moderne, tragische held, maar wat wil hij daarmee zeggen? Mannen kunnen er weinig aan doen dat ze bezeten worden door lust? Dat ze niet tegen de primaire impulsen van hun ‘lizard brain’ kunnen vechten? Ligt de morele lat anno 2019 dan zo laag dat we voor een man moeten applaudisseren voor het inzicht dat een verkrachting achteraf gezien toch niet zo fris is?

Improvisatieactrice Cené Hale, collega-alumna van Kok, richt zich op de andere kant van de maatschappelijke problemen rondom seksualiteit. In haar hartverscheurende, Engelstalige solo The Great Deception zet ze de grootschalige seksuele onderdrukking van jonge vrouwen in het christelijke en conservatieve Amerika centraal. Stilistisch lijkt Hales voorstelling meer op een cabaretvoorstelling, met flink wat publieksparticipatie en een gezonde dosis humor. Toch vergaat het lachen je snel wanneer Hale vertelt dat ze haar grootmoeder eigenlijk helemaal niet kent. Ze heeft alles jarenlang weggelachen en verzwegen, zelfs haar eigen dromen en idealen. Of wanneer Hale vol enthousiasme aan het Genesisprogramma voor Goede, Christelijke Meisjes begint, omdat ze jong is en er een mooie, gegraveerde ring voor terugkrijgt.

In dit programma wordt elke seksuele impuls als een zonde gezien, wat een goede, kuise christen wegstopt en onderdrukt. Ze is een hoer als ze ook maar denkt aan seks voor het huwelijk. Duidelijk gechoqueerd en gehersenspoeld komt Hale naar buiten. Wanneer haar moeder zegt hoe trots ze is op haar dochter dat ze het programma heeft afgemaakt, breekt je hart door de oprechtheid van haar trots. Hales kinderlijke naïviteit, gecombineerd met een oprechte woede richting de Amerikaanse interpretatie van het christendom, maakt van The Great Deception een tragisch, maar ijzersterk pamflet tegen hedendaagse, verzwegen vrouwenonderdrukking in het westen.

Foto: What does it mean? (to be me) van Roie Biran, Raymond van Mil