In de zaal van het DeLaMar valt het stil als Fockeline Ouwerkerk het podium opkomt met een vaas in haar handen. Ze maakt een tikkend geluid op het ding, alsof ze aftelt. Zolang de vaas in het rechterraam op de eerste verdieping van villa ’T Hooge Nest stond, was de kust veilig, vertelt ze. En zolang de torenvalk maar zong vanuit zijn nest hoog in de boom. Vogel, vaas, veilig. Ze zet de vaas aan de rechterkant van het podium neer. Als publiek weten we, dat stukje podium wordt vanavond ons rechterraam.

Deze monoloog van Solo Stories, leidt ons in regie van Benno Hoogveld door de roman ’t Hooge Nest (2018) van Roxane van Iperen. Een verhaal dat ook in deze nieuwe vorm haar kracht bewijst. Het vertelt een verhaal dat in de muren en onder de vloeren van deze villa verborgen lag. Het verhaal van de Joodse zussen Brilleslijper, die samen met hun families tijdens de Tweede Wereldoorlog hun intrek namen in ’t Hooge Nest. Ze huisvesten er bovendien vele andere onderduikers – soms woonden er wel 25 mensen tegelijk – en deden daar, vanuit de luwte van de Gooische bossen, alles wat ze konden om anderen in gevaar te helpen.

Het verhaal van villa ’t Hooge Nest begint eigenlijk op een aantal verschillende punten in de geschiedenis. Enerzijds begint het in 1917 bij Dirk Witte, die met ‘Mens, durf te leven’ het lijflied schreef van villa ’t Hooge Nest, die hij later in 1920 zelf voor zijn familie zou bouwen. Doorheen de voorstelling komt het lied steeds even terug en bewijst het haar bijna ongeloofwaardige voorspellende kracht: ‘De mensen, ze schrijven je leefregels voor. Ze geven je raad en ze roepen in koor: zó moet je leven!’

Je zou ook kunnen zeggen dat de geschiedenis van het huis begint op het moment dat de familie Brilleslijper er zijn intrek neemt. Maar eigenlijk begint het verhaal ook, of begint het in ieder geval opnieuw, op het moment dat schrijver Roxane van Iperen het huis koopt.

Ouwerkerk wisselt in deze verhalende monoloog behendig tussen de verhalen en de personages. Zo speelt ze afwisselend de zusjes Jannie en Lien Brilleslijper, dan weer hun gesprekspartners, en ook neemt ze de rol van de schrijver aan.

Ze probeert zich vanuit de schrijver voor te stellen wat er zich allemaal binnen de muren van haar huis kan hebben afgespeeld. Niet alleen de feiten (wie zaten hier ondergedoken? Welk verzet voerde wie vanuit hier uit?) maar ook wat er tussen die lijnen gebeurde. Hoe praatten Jannie en Lien met elkaar? Hoe verhielden ze zich tot hun jonge kinderen, als doodsbange ouders enerzijds, verzetsstrijders anderzijds?

Het is die zoektocht, die Ouwerkerk vanuit haar rol als Roxane van Iperen uitdiept, die antwoord geeft op de vraag: hoe kun je van zo’n boek een monoloog schrijven? Vanuit de schrijver kan Ouwerkerk al spelend zoeken naar de stemmen van mensen die er niet meer zijn. Eenzelfde zoektocht die Roxane van Iperen afgelegd moet hebben. Ouwerkerk doet dit op indrukwekkende wijze, met precisie en overgave.

In een constructie van elkaar snel opvolgende scènes leiden regisseur Benno Hoogveld en bewerker Marc Veerkamp ons in hoog tempo het verhaal door. Het is een verhaal vol causale verbanden en kettingreacties, die allemaal kundig in elkaar gevlochten zijn en met behulp van kleine licht- en decorveranderingen elkaar ook logischerwijs opvolgen.

De snelheid waarin het stuk voortbeweegt maakt wel dat er soms wat weinig ruimte is om het gewicht van de scènes te voelen. Ook het snelle afwisselen van perspectief zorgt ervoor dat de personages een beetje in elkaar overvloeien en dat niet altijd duidelijk is wat wie precies voor wie betekende.

Het decor, ontworpen door Paul Boereboom, bestaat uit een cilindervormige houten constructie, met lamellen tussen de panelen. Het is een huis, zodanig gestript, dat alleen dat overblijft wat echt nodig is om ons een huis te doen voorstellen. Het spiegelt naar mijn idee waar dit verhaal over gaat. Een huis zoals een mens. Gestript van alles, tot op het bot. Maar dat skelet, dat fundament, staat zo stevig dat er onmiskenbaar een mens in te herkennen is.

Als Fockeline Ouwerkerk aan het einde van de voorstelling onze blik naar de rechterhoek van het podium leidt, zien we samen met haar dat de kust niet meer veilig is. De vaas is weg, ’t Hooge Nest is verraden. Het verhaal van de familie Brilleslijper speelt zich vanaf dan op andere plekken af. Westerbork, Bergen-Belsen. Pas als de villa in 2012 door Van Iperen gekocht wordt, moet er in de tuin van ’t Hooge Nest weer een torenvalk te horen zijn geweest. De kust is veilig, moet hij gedacht hebben, het verhaal wordt verteld.

Foto’s: Annemieke van der Togt