Sun Eaters van Jassem Hindi en Sina Seifee is een rituele volksdans over olie als mythische kracht: een dodelijke, verleidelijke substantie die onze wereld voedt én vergiftigt. Het concept, de scenografie en het geluid zijn volledig van Hindi & Seifee, wat een sterk eigen universum oplevert. De intentie is duidelijk: een bezwering, een donkere lofzang op ‘petro-horror’. 

De opening, waarin drie dansers – Alexandra Tveit, Paolo de Venecia Gile en Trine Lise Moe – in extreme slowmotion bewegen onder een oranje gloed, wil een ritueel van onheil neerzetten. De vloer trilt onder bassen, de lucht gonst, de tijd lijkt stil te vallen. Maar de scène duurt zo lang dat spanningsopbouw omslaat in stilstand. Het past thematisch bij olie als sluimerend gif, maar dramaturgisch blijft het te stroperig.

Jassem Hindi (PA/FR) en Sina Seifee (IR) zijn als makers diep geworteld in ritueel en lichaamsgericht werk. Hindi komt uit een choreografische praktijk die volksdans, mythologie en politieke urgentie verbindt, Seifee brengt ervaring uit theater, beeldende kunst en scenografie. Samen vormen ze een team dat concept, beweging en ruimte tot één donker, lichamelijk universum smeedt.

Zodra de dansers individueel de ruimte innemen, ontpopt Sun Eaters zich tot iets veel overtuigenders dan de openingsscène. De voorstelling combineert dansvormen uit Noorwegen (mystiek), Bretagne (elegante hofachtige groepsdansen) en West-Azië (precieze hand- en voetpatronen, derwisjachtige draaien). Zo ontstaat een rijke, polyfone bewegingstaal waarin verschillende tradities samensmelten tot een eigentijdse rituele choreografie.

Een danser beweegt als een marionet die door onzichtbare krachtvelden wordt gegrepen, om daarna te draaien als een derwisj, terwijl een andere danser hoekig en mechanisch beweegt als een menselijk uurwerk dat steeds strakker wordt opgedraaid. De derde performer zoekt de intimiteit met het publiek op en beweegt rakelings langs de eerste rij. In deze solo’s vallen concept en choreografie samen in een fysieke aanklacht, een soort lijfelijke waarschuwing.

De scenografie, met vuilniszakachtige texturen, lage spots bij de dansvloer en een zwarte hoop afval in het midden, zet een wereld neer die al half naar de filistijnen is. Het beeld werkt sterk, al verliest de voorstelling aan kracht wanneer de dansers achter de vuilnisberg verdwijnen; het ontneemt zicht precies op het moment waarop je nabijheid nodig hebt. Het geluidsontwerp, een constante dreun van ruis en bas, is inhoudelijk raak maar theatraal zwaar. Pas wanneer andere korte passages (waaronder eentje met regen) de voorstelling doorbreken, ademt het stuk even; die rust mist net iets te vaak.

Het meest memorabele moment is de lange sequentie waarin alle drie de dansers minutenlang trillend in microspasmen bewegen. Gespannen spieren, verstijfde vingers, nekken op de rand van kramp. Het doet horrorachtig aan, bijna als duiveluitdrijvingen, maar dan wel in slow-motion, nooit luid. In dit gedeelte wordt olie niet alleen verbeeld, maar fysiek gemaakt: een entiteit die van binnenuit wringt en trekt. De intensiteit die dat oplevert, zorgt ervoor dat je als toeschouwer wordt vastgehouden.

Sun Eaters is als geheel een uitgesproken, intrigerende, maar onevenwichtige voorstelling. Ze bezit een sterke beeldtaal, een indrukwekkende fysieke inzet en een helder concept dat olie niet als grondstof maar als mythologisch kwaad benadert. Maar de lange, ietwat monotone passages vlakken de urgentie af. Wanneer de voorstelling echter ontbrandt, doet ze dat met overtuigende felheid: dan wordt Sun Eaters ineens een bezwerende volksdans die je meesleept in een duister universum waar olie niet slechts bestaat, maar leeft. En juist in die momenten toont de voorstelling haar ware potentie: compromisloos, rauw en onontkoombaar.

Foto: Tale Hendnes