In de koptelefoon fluistert een stem: ‘Een van jullie heeft een geheime liefde. Een van jullie kijkt graag naar vrouwen. Een van jullie is al drie dagen niet onder de douche geweest.’ De vrouwenstem spreekt tegen een groepje toeschouwers dat in Tilburg een georganiseerde stadswandeling maakt, luisterend naar die stem, rapmuziek en andere schitterende composities van Jesse Koolhaas. Stadswild heet de dansexpeditie, uitgevoerd door het Tilburgse dansgezelschap Vloeistof.

Regisseurs Yuri Bongers en Anja Reinhardt maken een grootstedelijke choreografie voor drie dansers, van wie er in totaal vijf op de credits staan vermeld: Wannes De Porre, Ulrike Doszmann, Carlo Camagni, Moene Roovers en Nataly Orozco Mercado. De samenstelling wisselt per uitvoering. Vanuit het theater van De Nieuwe Vorst gaan de bezoekers de straat op, in de richting van het stadshart, het Pieter Vreedeplein, genoemd naar een achttiende-eeuwse lakenfabrikant.

Ogenschijnlijk gebeurt er niets, kijken we slechts naar de passanten totdat de ene na de andere danser zich uit de anonimiteit losmaakt en een gewaagde en spannende dans uitvoert. Tussen het winkelende publiek. Soms ontstaat er interactie tussen de dansers en de menigte, vaak lopen de mensen gewoon en onverschillig door, zich niet bewust van het kunstzinnig gebodene in hun blikveld.

Het is knap en gedurfd wat de dansers doen: opeens laat een van hen zich vallen en grijpt naar het blad van een plataan, dat op de grond ligt. De ander verschanst zich achter een boom elders op het plein en een derde maakt razendsnelle bewegingen tussen geparkeerde fietsen door. Als er opeens een keihard geluid klinkt, dan is het of de wereld vergaat en verstarren de dansers in hun bewegingen. Mooi is ook het moment dat ze gedrieën schuin omhoog kijken, wat op voorbijgangers een onweerstaanbare aantrekkingskracht heeft: ook zij kijken schuin omhoog naar de Tilburgse hoogbouw, maar ze zien niets.

Wat Stadswild ons vertelt is dat we oog moeten hebben voor het alledaagse om ons heen. We lopen door straten en over pleinen, maar zien niets van dat plein. Midden op het plein liggen zwartgeslepen stenen banken, pas na lang kijken omdat de dansers de stenen in hun choreografie betrekken, valt me plots op dat daar de letters PIETER liggen, de naamgever van het plein.

De dansers proberen de stukken straatmeubilair los te wrikken, maar dat lukt niet, evenmin als hun poging slaagde een plantenbak met een olijfboom erin te verplaatsen. Het zijn machtig interessante handelingen en bewegingen die, begeleid door de muziek, een mooie dramatische betekenis krijgen, een krachtmeting tussen het lichaam van de dansers en het monolitische stuk steen.

Op een gegeven moment splitst de groep zich in drieën en volgen we in kleine groepjes de rode, gele dan wel blauwe danser. Ik had de gele, een danseres, en ze stoof door de straten, maakte pirouettes in een winkel, draaide om haar as, toonde wervelende energie en een stoere drive terwijl het kooppubliek langs slenterde. Deze urbane choreografie leert ons kijken naar passanten, zoals wij allen zijn: wie gedraagt zich vreemd, wie heeft iets te verbergen, wie heeft een fysieke afwijking?

Het is precies zoals de eerste woorden klinken van de fluisterstem: ‘Stel, je opent de deur van een ruimteschip en je ziet die tweebenige wezens die zich voortbewegen door het ene been voor het andere te plaatsen, wat denk je dan?’ Ja, perfecte vraag, in dans gevangen en uitgedrukt: je denkt vreemde dingen over die mensen, en over jezelf. En ondertussen ben je getuige van dans die elke fysieke vreemdheid omtovert tot souplesse.

Foto: Moon Saris