In het tekstboek van de voorstelling Nachtschade, geschreven door Annet Bremen, wordt de locatie waar het stuk zich afspeelt, beschreven als een klein appartement op de bovenste verdieping van een woontoren. Daar wonen een man en een vrouw, die op een zaterdagavond bezoek krijgen van de zus van de vrouw. (meer…)
Omhuld door rookpluimen staat de jonge Soekarno blootsvoets en in een wit linnen outfit op het podium. Het wit roept associaties op met koloniale kleding, en hij drapeert steeds zijn jasje van de ene naar de andere arm zonder dat daar iets mee gebeurt. Is het om zichzelf een houding te geven?
Soekarno, de eerste president van de Republiek Indonesië: wie of wat was hij eigenlijk? Een terrorist of onafhankelijkheidsstrijder, een collaborateur of pragmaticus, de vader van de republiek of een nationalistische onderdrukker? In Soekarno laat schrijver en regisseur Bo Tarenskeen (co-regie: Mhàiri Mackenna) de vele gezichten van de president de revue passeren. Dat doet Tarenskeen in de eerste helft zelf, in een monoloog waarin hij zowel een jonge Soekarno als de verteller speelt.
De 28-jarige ‘terrorist en geweldsopruier’ zit in 1930, na een groots showproces door het koloniale gezag van Nederlands-Indië, opgesloten in de gevangenis. Daar bezint hij zich op de bevrijding van Indonesië van het kolonialisme. ‘De democratie geldt alleen voor 7 miljoen van de 80 miljoen onderdanen van het Nederlandse koninkrijk’, werpt hij ons voor de voeten.
Tarenskeen heeft veel te vertellen als alwetende verteller. Dat zit soms de vaart van het stuk in de weg, wat niet wegneemt dat het een interessante geschiedenisles is die mooie parallellen trekt met het huidige nationalisme en de identiteitspolitiek. Soekarno is een intellectueel uit de gegoede klasse, die in de gevangenisbibliotheek tevergeefs vraagt of ze westerse klassieken als Voltaire, Hugo de Groot en Vondel hebben. Hij wil de westerse imperialisten met hun eigen Verlichtingswaarden en cultuur om de oren slaan. Daarbij wordt een mooie vergelijking getrokken tussen Vondels Gijsbrecht van Aemstel en Soekarno: beiden zijn tragische helden die op het einde hun macht en hun land verliezen.
Verwacht geen pure lofzang op Soekarno. Niemand wordt bespaard: ook niet de Indische Nederlanders. Tarenskeen somt op: behaagziek, ijdel, slinks, en altijd op zoek naar de erkenning van de ‘blanke’ papa. Niet zoals Napoleon, die zelf de kroon van het altaar pakte en zichzelf tot keizer kroonde. Dát is pas soevereiniteit!
De onzichtbare wereld, de vele goden, mystiek en de geestenwereld, die voor Indonesische en Indische mensen vaak een onlosmakelijk onderdeel van de wereld vormt, wordt verbeeld met bewegende lucht. Na de ‘stille kracht’ van het eerste deel worden de rookpluimen met blazers hard de zaal in gejaagd. En zo eindigt de eerste helft met het bekende fenomeen ‘Indisch zwijgen’, waarbij er niet wordt gepraat over de traumatische voorgeschiedenis. De verteller herhaalt met sussende woorden: ‘soedah, laat maar, stil maar, zwijg.’
Maar dan wordt de theatervloer vergroot met een lichtinstallatie, en klinkt er muziek waarin westers strijkers en Indonesische instrumenten samenkomen. Het is 1966 en de oudere Soekarno komt als personage pas echt tot leven door Esther Scheldwacht. Ze is direct herkenbaar als Soekarno in een wit militair pak en met zijn kenmerkende hoofddeksel: de zwarte peci. Dit eenvoudige hoofddeksel droeg Soekarno bewust om zich als man van het volk te presenteren.
Scheldwacht speelt Soekarno fenomenaal: uitdagend paffend met een zonnebril op wanneer hij de internationale pers te woord staat, losjes met zijn heupen schuddend terwijl hij danst met westerse actrices en hooggeplaatste dames, maar ook dansend op het randje van de waanzin. Ondertussen wordt de spanning opgevoerd. Wij, het publiek, zijn samen met Soekarno in zijn paleis te Jakarta terwijl generaal Soeharto’s soldaten in aantocht zijn om Soekarno in te rekenen. Zijn het kreten van haat of verafgoding van de jongerenmenigte buiten?
‘Als die gekke Indo’s maar niet de politiek in gaan’, sneert de oude Soekarno over zijn Indische vrienden – een knipoog naar Wilders en Baudet, die allebei Indische wortels hebben. De boodschap wordt net iets te vet aangezet wanneer Soekarno stelt dat niemand tegenwoordig meer links durft te zijn; nu worden hem vanuit het heden woorden in de mond gelegd.
Soekarno zet Soekarno neer als een twijfelende intellectuele bohemien én begenadigd showman die op geopolitiek niveau met ongelooflijk veel bezetters en machthebbers heeft moeten omspringen. Dat pleit hem niet vrij, maar het blijkt verdomd lastig om smetvrij te blijven. Wat bijblijft is Scheldwacht als de swingende Soekarno die als de Indische tegenhanger van Gijsbrecht zijn tragische einde tegemoet gaat.
Foto’s: Sanne Peper
















