De in carnavaleske ontregeling gespecialiseerde choregraaf en performer Marlène Monteiro-Freitas gaat in RI TE een bewegingsdialoog aan met flamenco-vernieuwer Israel Galvàn. Die ontmoeting levert een amusant uurtje absurdistische slapstick op tijdens Julidans. 

Als we de zaal binnenkomen stommelen Freitas en Galvàn al rond. Hun onbeholpen motoriek doet denken aan de avatars die vroeger de Nintendo spelcomputers bevolkten. Midden op de vloer staat een houten schutting met zijwandjes. Op de vloer, recht voor de schutting, ligt een houten plaat. Het zou het op de grond geklapte deksel kunnen zijn van de doos waar deze koddige figuurtjes uit zijn gekropen. Beiden dragen ze een witte overall: bij Freitas aangevuld met een groene ceintuur en dito haarband, bij Galvàn gecomplementeerd met een zwart schort. De Kaapverdiaanse performer Freitas draagt stoere flamencolaarzen met ijzeren nagels, terwijl de Sevilliaanse bailaor Galvàn het moet stellen met roze rubberlaarsjes.

Als beiden zich verplaatsen naar de spaarzaam verlichte ruimte voor het wandje voltrekt zich daar een onwennige bewegingsdialoog. Ze bekloppen de wandjes, lopen over het vloertje en hannesen een beetje met twee ouderwetse caféstoeltjes. Klappend, vingerknippend en laarsroffelend wordt af en toe een ritme ingezet, dat meestal weer snel wegebt. Uit beider kelen ontsnappen af en toe geluiden, variërend van koeiengeloei tot vogelgekrijs. In de dynamiek die zich tussen de figuren ontwikkelt zit een omkering van traditionele genderverhoudingen: Freitas neemt ruimte in, wijdbeens zittend op de stoel of luidkeels roffelend met haar laarzen. Daartegenover is Galvàn juist bescheiden en verzorgend: meerdere keren masseert hij de voeten van Freitas. Een terugkerend motiefje is de handkus die Galvàn zijn danspartner toewerpt, waarop zij resoluut het hoofd afwendt en afkeurend op de grond spuugt.

Zowel in de aankleding, de onderlinge verhoudingen en het ongemakkelijk houterige bewegingsmateriaal neemt RI TE een loopje met het machismo dat je associeert met flamenco (alsmede het Spaanse stierengevecht, waar ook regelmatig aan wordt gerefereerd). Er is een running gag die er mee begint dat Freitas “Olé” wil roepen, zonder dat er geluid uit haar mond komt. Dit wordt uitgebouwd tot een compleet nummer met vrolijk stemmende publieksparticipatie. Galvàn neemt het hoogtepunt van de voorstelling voor zijn rekening. Nadat hij drie kwartier zijn flamencoflair op slot heeft gezet met een stramme poppenmotoriek zet hij een krankzinnig door de ruimte zwabberende solo in. Daarbij begeleidt hij zichzelf met bijzonder geestige vocalen, die het midden houden tussen een scattende jazz-zanger en de ritmische capriolen van een Indiase konnakol-artiest. Het is een komisch commentaar op virtuositeit, dat alleen kan worden uitgevoerd door een virtuoos danser als Galvàn.   

Freitas en Galvàn zijn beiden performers die in hun eentje een podium kunnen vullen, en met hun gebundelde krachten slaan ze zich dan ook moeiteloos door dit amusante uurtje absurdistiche slapstick. Toch knaagde bij mij het gevoel dat het veel puntiger en korter had gekund. RI TE is door de makers in elkaar gezet in vier dagen tijd. De rafelrandjes die achterblijven bij zo’n snel proces zijn nog volop aanwezig en dat is mooi. Daarnaast is er ruimte gebleven voor improvisatie ter plekke, wat de dialoog fris houdt. Toch zou het mogelijk moeten zijn om, met behoud van rafelrandjes en frisheid, de voorstelling flink in te korten. Net wat minder herhalingen van zetten, een paar scènes schrappen, iets minder tijdrekken. Dit plezant voortkabbelende uurtje burlesque had ook een half uur briljant hilarische slapstick kunnen zijn. Toch jammer.

Foto: Laurant Philippe