Het meesterlijke Pressure Point is de kroon op het oeuvre van Vanja Rukavina tot nu toe, en een van de beste voorstellingen ooit gemaakt over de intersectie tussen taal, cultuur en (politieke) identiteit.

Als tennisvedette Viktor Rađenović op de baan staat, speelt hij alsof zijn leven ervan af hangt. Hij ruziet met de umpire, sloopt iedere wedstrijd minstens een racket, en schreeuwt en vloekt de boel bij elkaar als er een punt in zijn nadeel wordt beslecht. In een telefoongesprek met zijn Japanse zoontje stelt die hem de vraag: ‘Waarom ben je altijd zo boos als je tennist papa?’

In Pressure Point ontrafelt theatermaker en hoofdrolspeler Vanja Rukavina die vraag stukje bij beetje. Daarbij lopen zijn autobiografie en die van zijn fictieve alter ego door elkaar: beide mannen groeiden op in Sarajevo en vluchtten als kind naar Nederland, en veel van de interne strijd van Rađenović is daar op terug te voeren. Ook de taalliefde van Rukavina, die hij al eerder onderzocht in de voorstellingen Language en Superposition, speelt weer een belangrijke rol: Rađenović schakelt moeiteloos van Nederlands naar Engels, Servo-Kroatisch, Japans en een beetje Spaans in een reeks interviews, en met zijn Japanse vrouw en kinderen communiceert hij in de ene taal en met zijn ouders in de andere.

Dat zet al meteen mooi de verscheurdheid van het hoofdpersonage neer. Voor Rađenović is het tweede natuur, maar voor de kijker is het duizelingwekkend hoe snel de man tussen talen en de daarbij behorende sociale codes schakelt. Als Rukavina in zijn oeuvre tot nu toe iets overtuigend heeft aangetoond, is het wel hoe taal met cultuur, en daarmee met identiteit, samenhangt. Je bent tot op zekere hoogte wat je spreekt. Maar wat ben je als al die talen steeds over elkaar heen buitelen?

Naarmate Pressure Point vordert, beginnen we steeds meer te begrijpen waarom Rađenović continu in de strijdmodus staat. Rukavina staat in zijn eentje op het toneel, omsloten door cirkelvormige rails waarover camera’s en lichtbakken bewegen. Via de geweldige montage, die van tv-interviews naar telefoon- of Zoomgesprekken naar een gesprekje met een kinderklas naar rechtstreekse terzijdes naar het publiek loopt, krijgen we eerst de buitenkant van de tennisser te zien: zijn successen (hij is de meest succesvolle tennisspeler aller tijden), zijn worsteling met work-life balance (hij ziet zijn kinderen nauwelijks meer) en zijn moeizame relatie met de Nederlandse pers (die hem tot vervelens toe vragen stelt over zijn ‘Bosnische temperament’).

Vanwege zijn explosieve karakter en zijn professionele egocentrisme is Rađenović not an easy guy to like, het type man dat zijn emoties niet kan beheersen en die dan maar op andere mensen botviert. Een geestige scène waarin Rukavina aan het publiek uitlegt dat je in het tennis per wedstrijd één keer flink over de schreef mag gaan zonder gediskwalificeerd te worden, en tips deelt over hoe je een racket zo efficiënt mogelijk aan gort kan slaan, is een sterke metafoor voor de patriarchale maatschappij, waarin de ruimte die we toxische mannen bieden om zich te misdragen door hen ook altijd optimaal wordt benut. (Rađenović noemt zijn gedrag ‘een goede manier om met de huizenhoge druk van de sport om te gaan’ – het had zo uit de mond van Matthijs van Nieuwkerk kunnen rollen).

Gaandeweg begin je echter steeds meer van het hoofdpersonage te begrijpen. Meesterlijk pellen Rukavina en regisseur Silke van Kamp de lagen van de tennisser af. Als hij voor de zoveelste keer door het Hollandse journaille op stang is gejaagd verhuist hij naar zijn geboortestad, om daar een tennistoernooi voor jonge talenten op te zetten. Dat valt echter niet in goede aarde: het Servische deel van de bevolking voelt zich gepasseerd omdat hij het uitsluitend in Sarajevo organiseert, terwijl het Bosniak-deel vindt dat de Serven maar een beetje moeten dimmen, gezien de geschiedenis. Rađenović weigert een kant te kiezen omdat hij juist op verbinding wilde inzetten maar draait zichzelf daarin steeds meer vast, zeker als er opnieuw oorlog uitbreekt.

Je hoeft de ins en outs van de Joegoslavische burgeroorlog niet te kennen om het dilemma van de tennisser te snappen (Rukavina vindt van wel, en het uitleggerige college ‘Bosniografie’ dat hij tussendoor even geeft is het zwakste deel van de voorstelling). De kern is namelijk zeer duidelijk: zijn leven lang probeert Rađenović, kind van een Bosnisch-Servische moeder en een Bosnisch-Kroatische vader, de burgeroorlog al tevergeefs te ontsnappen, en nu komt hij er weer middenin.

In de verpletterende scènes die volgen zie je hoeveel van Rađenović’ identiteit op die innerlijke strijd terug te voeren is: zijn weigering om politiek stelling te nemen, zijn onvermogen om zich aan zijn vrouw en kinderen te binden, de angst voor uitsluiting en eenzaamheid die hij op zijn zoon projecteert. Uit een jeugdherinnering blijkt dat zelfs zijn loopbaan als topsporter door de wens werd gevormd om de oorlog voor zijn vader terug te draaien, uit te bannen, te bezweren.

Sport kan, net als kunst, verbinden. Sport kan, net als kunst, ook verhullen: we spélen dat we allemaal met elkaar verbonden zijn, maar laten oorlog, genocide, uitbuiting, racisme of ander onrecht buiten beschouwing. In het geniale Pressure Point laat Rukavina dat besef heel langzaam indalen, en schetst zo een portret van een man die uiteindelijk, na veel vallen en opstaan, bewust zijn eigen politieke identiteit claimt.

Foto’s: Casper Koster