Het leven valt niet mee voor Rosa. De hoofdpersoon uit de Hoe Overleef Ik? reeks van Francine Oomen overleefde haar puberjaren, maar staat als volwassene weer voor grote dilemma’s. Na het gelijknamige boek reist Hoe overleef ik alles wat ik niemand vertel? als musical door de Nederlandse theaters. (meer…)
Veel grootschalige, regionale locatievoorstellingen gaan over een historische gebeurtenis uit de eigen regio. De Watersnoodramp in Zeeland, de sluiting van de mijnen in Limburg, het plaatselijk Verzet in de Tweede Wereldoorlog en de uitbuiting van arbeiders door hardvochtige ondernemers. Het zijn dankbare onderwerpen die vaak ook veel publiek trekken – de hang naar eigen, herkenbare verhalen is groot.
Wat die arme arbeiders betreft: Herman Heijermans schetste al 1900 in Op hoop van zegen op meeslepende wijze hoe de vissers in die tijd werden geknecht door een onredelijk harde reder. Iets dergelijks is aan de hand in de nieuwe locatieproductie Polderjongens van Theater Producties Twente. Daarin wordt een groep arbeiders misleid en uitgebuit door een foute aannemer, die op zijn beurt weer wordt gesteund door de plaatselijke autoriteiten.
Plaats van handeling is Almelo, waar in 1884 begonnen werd met de aanleg van het Almelo-Nordhornkanaal, met als doel de economische welvaart van de stad een impuls te geven. Voor die enorme klus werden 200 werkloze mannen uit voornamelijk Drenthe gerekruteerd, die tegen een hongerloon zes dag per week van zonsopgang tot zonsondergang zand moesten scheppen. Hun gezinnen woonden in plaggenhutten langs het kanaal.
Over hen schreef Danny Westerweel Polderjongens dat in regie van Anne de Blok en met muziek van Fons Merkies nu wordt opgevoerd op locatie, langs het kanaal zelf, met een tribune waar ruim 500 man plaats kan nemen. Gespeeld door een mix van professionele acteurs en amateurspelers uit de buurt.
Westerweel koos voor de veilige weg: het verhaal wordt chronologisch en in realistische scènes verteld, dus geen zijwegen of vervreemding. Met volop stereotypes als de foute aannemer Van de Koolwijk (Harpert Michielsen), zijn even lieftallige als activistische dochter (Sofia Ferri), gemeenteraadsleden die enkel knipmessen zijn, en de felle aanvoerder van de arbeiders Rens (Alexander Schuitema) die in opstand komt tegen het gezag.
Als decor dient een enorm houten bouwwerk met verschillende verdiepingen, waarin de spelers overal kunnen opduiken. In dat decor zit ook het orkest dat enthousiast de composities speelt, met variaties op het bekende dronkemanslied, het vechtersbaaslied, een liefdesduet en een dramatische solo.
De voorstelling wordt qua spel vooral gedragen door jonge Sofia Ferri als aannemersdochter Anna die hier eigenlijk het centrale personage is. Zij is de schakel tussen de rijken en de sloebers, en uiteraard ontwikkelt zich een love-story tussen haar en arbeider Rens. Gedreven actrice, die Ferri. Knap is ook de regie van De Blok, vooral door de manier waarop ze deze grote groep spelers heeft geënsceneerd; de voorstelling wordt nooit statisch of saai, maar heeft voortdurend een warm kloppend hart. Productioneel wordt hier ook puik werk geleverd.
Voorspelbaar is het allemaal wel, inclusief de tragische afloop. Interessant in het script is hoe er door de Almeloërs van toen werd aangekeken tegen de vreemdelingen uit het noorden, die ‘plunderen en vrouwen verkrachten’. De link naar hoe in plaatsen als Tubbergen en ongetwijfeld ook elders in deze regio nu tegen asielzoekers en vluchtelingen wordt aangekeken, zal daarvan niet veel verschillen. De voorstelling had daarin veel scherper kunnen zijn, en uit het realisme kunnen breken. Kom op zeg, theater is er ook om wakker geschud te worden, en niet om enkel in de eigen geschiedenis te schuilen.
Met het Almelo-Nordhornkanaal is het trouwens nooit goed gekomen. Toen het klaar was, bleek het overbodig (vervoer per trein werd steeds belangrijker), en in 1960 werd het voor de scheepvaart gesloten. Nu is het een natuurgebied met allerlei soorten bloemen, vissen en vogels. Dat is tenminste iets.
Foto’s: Willem van Walderveen













