In juni is Theater Frascati twee weken lang het ‘huis’ van William Kentridge en Faustin Linyekula. De twee ‘associate artists’ van de 2019-editie van het Holland Festival tonen er niet alleen eigen werk, maar hebben ook kunstenaars uitgenodigd. Die zijn verbonden met de werkplaatsen of culturele centra die ze ieder hebben opgezet, respectievelijk The Centre for the Less Good Idea in Johannesburg en Studios Kabako in Kisangani, een stad met ruim anderhalf miljoen inwoners in het noord-oosten van Congo.

Djino Alolo Sabin (1990) groeide, net als Linyekula, op in Kisangani en maakte er furore met zijn hiphopcrew Bad Boyz. Als gevolg nodigde Linyekula hem uit mee te doen in de Studios Kabako, waar hij vanaf 2008 trainingen en workshops volgde op het gebied van hedendaagse dans. Ondertussen woont hij in Parijs en werkte als danser met gerenommeerde Franse choreografen als Olivier Dubois, Maguy Marin en Boris Charmatz (hij zat in 10.000 Gestures, dat afgelopen week te zien was tijdens Spring). In het Holland Festival toont hij zijn solo Piki, Piki.

Een hoofd dat zich wil losmaken van een verkrampt lichaam, een verkrampte hand die zelfstandig wordt – het zijn het soort spasmen en contorsies, die dansmakers wel vaker gebruiken om gespletenheid, innerlijke strijd en repressie uit te drukken. Door zijn lichaam in lagen pigment te hullen, eerst zwart en dan wit en daarbij nog lagen theaterlicht, ontstaat er een gebeeldhouwde gestalte, wat echt iets verder gaat dan de innerlijke strijd en de existentiële vervreemding van een enkeling.

Zijn het zwart-witfoto’s waaraan Alolo refereert, en dateren die uit eind negentiende eeuw, ten tijde van het regime van Leopold II? Of gaat het om begin jaren zestig, toen oppositieleider en de eerste premier van Congo, Patrice Lumumba, werd gemarteld en vermoord? Of gaat het om Olala’s grootvader, actief medestander van Lumumba, die rond diezelfde tijd verdween, zoals in de tekst bij de voorstelling te lezen is? Richt Olola hier misschien een standbeeld op voor álle Congoleze gestorvenen, ongeacht wat hun lijden veroorzaakte – het gruwelijke koloniale regime, de burgeroorlogen in de jaren ’90 en 2000, honger, armoede, pest, ebola, en de ellende in de kobaltmijnen? Waar is het einde van deze lijdensweg van een van de – qua natuurlijke hulpbronnen – rijkste landen ter wereld?

Het standbeeld van de geschiedenis (waar alleen plaats is voor overwinnaars) komt ook in de tweede scène ter sprake, wanneer een feestdecor met vlaggetjes een strop blijkt, met directe verwijzingen naar Mobutu en alle andere ‘bevrijders’ van het Congolese volk, die bloedige burgeroorlogen uitvochten over de ruggen van miljoenen burgers.

Olala maakt van de geschiedenis een ritueel, waarin hij zich hullen moet, wentelen en draaien, of hij dat nu wil of niet. Als stadia die erbij horen, ploegscharen lopen als onderdeel van je opvoeding. Geschiedenis ook als een jas, die je aan en uit kunt trekken, een tijd die je in en uit kunt lopen, maar waar je je hoe dan ook toe zult moeten verhouden.

Als een tijdreiziger, die zich probeert los te rukken van een slepende hoeveelheid onrecht en doden, bouwt Alolo zijn rituele opening uit. Hij gaat zo ver als een door de voorpoten gezakt dier, terwijl noise en metal dreunen, krijsend soms, met enige belligerente ritmes erdoorheen. Maar in diezelfde beweging, met al het zweet, ontdoet Alolo zich ook van de zombie, de kwelgeest, de rituele danser en het stervende dier. Het zwart-wit verdwijnt langzaam, en onder een donker rood schimmert uiteindelijk zijn eigen bruine huid.

In een verademende stilte kleurt het podium dan langzaam van dreigende zwartwitten naar vrolijk geel. Terwijl Alolo voorzichtig met zijn zwarte schaduw danst, toont hij vanonder de verwrongenheid van de geschiedenis zijn eigen lichaam. Sprankelende, elektrische gitaren helpen een ander heden, een meer ontspannen lichaam het podium op.

In een combinatie van documentaire beelden en fictie, wordt in het tweede deel van Piki Piki de rol van de vorige generatie ter discussie gesteld. Wat is de rol van vrouwen, hoe hebben zij temidden van alles zichzelf gehandhaafd en hun gezinnen op de been gehouden? Na het lot van zijn verdwenen opa, en diens generatie, gaat nu de aandacht naar zijn moeder, die niet lang geleden overleed en vele jaren als doodgraver bij het Rode Kruis werkte. Een gigantische autoband om zijn nek verbeeldt het gewicht van alle vragen.

Met eenvoudige handelingen, symbolische ingrepen en historische of autobiografische referenties in beeld en geluid, weet Alolo een wonderlijke rust te bewerkstelligen, alsof hij aangeeft dat de berg doden, waarop hij en zijn moeder opgroeiden, niet per se onvruchtbaar hoeft te zijn.

Een diep geaard optimisme lijkt de uiteindelijk uitkomst van Piki Piki. Opvallend is ook dat de solo niet direct over Alolo hem zelf en zijn ambities als jonge kunstenaar gaat, maar een landschap schildert met vele personages en generaties, gedrenkt in geschiedenis, die samenkomen in dat ene, energieke en zelfbewuste lichaam, dat zich als standbeeld probeert op te richten, zonder vast te komen zitten.

Als een ongrijpbaar wezen blijft Djino Alolo Sabin verscholen in lagen van dansante gestes en tekst, geluid en licht. Dit geeft niet alleen de broodnodige spanning aan de solo, het doet je als toeschouwer ook gissen naar wat hij wil zeggen, wat het nu doet. Geen personality show (goddank), geen individueel drama, maar een schematisch voorstel over een lichaam dat op verschillene manieren in de strijd wordt geworpen. Of beter: verschillende lichamen die worden opgevoerd, van slachtoffer tot verzetsheld, van een persoonlijk gevecht tot feministische vragen bij de grondwet van Congo.

Foto: La Bellone Bruxelles