Danseres Sherise Strang beweegt over het toneel, verwikkeld in een innerlijke strijd. Haar zwarte moeder zingt haar in een ballade toe dat ze haar eigen stem moet vinden en voor zichzelf op moet komen. De buitenwereld doet haar ironisch na. (meer…)
Wie zich had verheugd op een eerbetoon aan Oum Kalthoum kwam bij deze productie in het Opera Forward Festival bedrogen uit. Hoewel er wat flarden uit haar lied Al-Atlal voorbij komen en dit uiteindelijk bijna integraal wordt gezongen, heeft het stuk niets met de vermaarde Arabische diva te maken.
Oum begint veelbelovend. Het toneelbeeld (Yannick Verweij) is rustig, met een vrijwel leeg podium. Een halfronde verhoging biedt plaats aan de musici van het Amsterdams Andalusisch Orkest. Terwijl het publiek binnenstroomt stemmen de musici en komen de drie zangeressen op.
Zij dragen wijdvallende satijnen robes in de kleuren goud (de alt Ghalia Benali), zilver (de sopraan Bernadeta Astari) en brons (de mezzosopraan Dima Orsho). De geheel in het wit geklede actrice Nadia Amin vertolkt de hoofdrol van de 19-jarige, getraumatiseerde Wahab, die wanhopig op zoek is naar zijn moeder.

Amin is anderhalf uur lang bijna onafgebroken aan het woord en vertelt in de ik-person het verhaal van Wahab. Amin verricht wonderen door de ellenlange tekst zonder haperen uit te spreken, maar het vergt nogal wat willing suspension of disbelief om in deze grijsharige dame de getroubleerde jongen te zien die zij moet vertolken.
Op zijn zevende is hij getuige van een bloedige aanslag op een bus, waarbij een leeftijdgenootje levend verbrandt. In zijn geestesoog ziet hij hoe een vrouw met lange blonde haren en houten ledematen het jongetje wurgt en verslindt. Op zijn 14e verjaardag herkent hij plots zijn moeder niet meer, die hij tegelijkertijd haat en intens liefheeft. Vijf jaar later zit hij zelf in een bus, om voorgoed afscheid van haar te nemen in het ziekenhuis.
Pas na haar haar overlijden realiseert hij zich dat zij al die tijd de vrouw was met de blonde haren en de houten ledematen: zij belichaamt de dood. Dan reconstrueert hij een voor een haar gelaatstrekken en bedankt haar omdat zij zich voor hem zou hebben opgeofferd. Een wonderlijke wending. Het is te begrijpen dat een jongetje van zeven door een traumatische ervaring vlucht in een dissociatieve fantasie, maar dat zijn moeder zich in de vorm van de dood voor hem zou hebben opgeofferd, is onnavolgbaar.

Door dergelijke incongruenties en het veel te lange, zich almaar herhalende libretto, weet de voorstelling geen moment te raken. Wout van Tongeren baseerde het op de roman Visage retrouvé en de daaruit gedestilleerde monoloog Un obus dans le coeur van de Libanees-Canadese schrijver Wajdi Mouawad. Regisseur Kenza Koutchoukali had hier moeten ingrijpen. Van Tongeren vond het als dramaturg kennelijk moeilijk het mes te zetten in zijn eigen tekst.
Sowieso is hier van opera of muziektheater eigenlijk geen sprake: Oum is meer een toneelvoorstelling met muziek. Het onder leiding van Kanako Abe uitstekend spelende Amsterdams Andalusisch Orkest vervult vooral een dienende rol. Componist Bushra El-Turk schotelt ons hierbij een klankwereld voor die grotendeels aanhaakt bij de klassieke Arabische traditie, met glijdende tonen van de strijkers en getokkel op oud en qanun. De muzikale inbreng van de zangeressen bestaat uit weemoedige, oosters getinte klaagzangen met af en toe een scheutje westerse dissonantie.

Omdat er nauwelijks sprake is van interactie tussen de personages, heeft het geheel een statisch karakter. Pas aan het slot vleit Ghalia Benali zich naast Wahab neer en neemt hem/haar troostend in de armen. Tot groot enthousiasme van het publiek zingt zij met haar indrukwekkende lage stem het lied Al-Atlal terwijl Amin het podium afloopt.
Het publiek barst los in stormachtig applaus en uitbundig gejoel. Wanneer de bezoekers hierna de zaal verlaten, dwingt Benali alsnog een toegift af. Als een ware diva zingt ze vervolgens een vrolijk en opzwepend lied dat haaks staat op de zwaarmoedige inhoud van het libretto. Hiermee onderstreept zij, waarschijnlijk ongewild, de onevenwichtigheid van deze productie.
Foto’s: Bart Grietens













Beste Thea,
Gewoonlijk reageer ik niet op recensies van voorstellingen waarbij ik zelf betrokken ben. Deze keer wil ik dat wel doen – niet om je kritiek op mijn bijdrage te betwisten maar om jou en wie dit verder leest te wijzen op aspecten van de voorstelling die je minder aandacht geeft.
Laat ik niet verbloemen dat je bezwaren tegen de tekst van de voorstelling me pijn doen. Terwijl ik je recensie lees en herlees, schieten er vragen, tegenwerpingen, verwijten door mijn hoofd – maar ik geloof dat ik met al die gedachten vooral een schild wil opwerpen om kritiek niet te diep te laten doordringen. Ik probeer nu het schild neer te leggen en je woorden tot me te nemen. Pijn kan ook een louterende ervaring zijn.
In je recensie ruim je veel plaats in voor een bespreking van het verhaal. Daaruit blijkt dat je met aandacht geluisterd hebt naar de monoloog die Nadia Amin zo knap vertolkt, en dat je je echt tot de inhoud ervan hebt willen verhouden. Al zou het comfortabel voor me zijn, ik kan je niet verwijten dat je de tekst geen kans hebt gegeven. Hoewel ik hoop dat de monoloog bij velen wél ontroering teweegbrengt, kan ik niet weerspreken dat het verhaal voor jou op afstand is gebleven. Dat trek ik me aan, omdat ik er in mijn bewerking kennelijk niet in geslaagd ben de kracht van van Wajdi Mouawads beeldende, gevoelige tekst op je over te brengen.
Je recensie wekt bij mij de indruk dat de gesproken tekst je aandacht afgeleid heeft van de muziek. Ook daarvoor voel ik mij verantwoordelijk. Het valt me op dat je niet schrijft over de wijze waarop Bushra El-Turk elementen uit Oum Kalthoums lied ‘Al-Atlal’ door de muziek heen vervlochten heeft – het lied is werkelijk de spil in haar compositie – en dat je concludeert dat van ‘muziektheater eigenlijk geen sprake’ is, terwijl El-Turk een ingenieus werk heeft afgeleverd dat de hele voorstelling omspant en de lijn ervan sterk bepaalt. Je benoemt niet hoe de componist en de musici bruggen slaan tussen Westerse en Arabische muziektradities – waar echt meer over te zeggen valt dan dat ‘oosters getinte klaagzangen’ gecombineerd worden met ’een scheutje westerse dissonantie’. Ik respecteer je muzikale kennis en gevoeligheid en schrik ervan dat je recensie zoveel meer woorden aan de tekst besteedt dan aan de muziek, de uitvoerenden, de vormgeving en de regie. Ik vrees dat mijn tekstbewerking je aandacht voor de andere elementen van de productie zozeer in de weg gestaan heeft dat de disbalans die je de voorstelling verwijt ook jouw recensie uit het lood getrokken heeft.
Graag wil ik je tot slot nog op een paar formuleringen wijzen die tenminste op mij onzorgvuldig overkomen. Je omschrijving van Nadia Amin als ‘grijsharige dame’ suggereert door de combinatie van die twee woorden waarschijnlijk voor veel lezers een hogere leeftijd dan de actrice heeft. ‘Veertiger’ was nauwkeuriger geweest.
De titel van de oorspronkelijke roman is Visage retrouvé, zonder ‘Le’ – wellicht kan een redacteur van Theaterkant dit nog corrigeren in de tekst.
Als je schrijft dat Ghalia Benali bij wijze van toegift nog ‘een vrolijk en opzwepend lied’ zingt, suggereert dit dat zij een geheel nieuw nummer inzet, maar het betreft een herhaling van een deel uit ‘Al-Atlal’ dat voor het applaus al gezongen werd.
Ten slotte verwijs je naar ‘getokkel op oud en qanun’ zonder de kwaliteiten van de uitgevoerde muziek verder te benoemen, anders dan dat het orkest ‘uitstekend speelt’. Dat zou de indruk kunnen wekken dat je deze niet-westerse instrumenten en de muziek die erop wordt uitgevoerd niet helemaal serieus neemt.
Je kritiek neem ik verder ter harte.
Met vriendelijke groet,
Wout
@Wout Dank voor je uitgebreide reactie en waardevolle aanvullingen. De titel van de roman is aangepast.
Ik heb de voorstelling net gezien en vond die prachtig, heel aangrijpend en geen moment saai. Misschien heb ik van de tekst mijn eigen verhaal gemaakt maar ik zag een jongen die pas bij het sterfbed van zijn stiefmoeder beseft dat zijn moeder toen hij heel jong was, bij een aanslag om het leven kwam. De tragiek en verlorenheid van Wahab werden in mijn beleving voortdurend duidelijk uit de muziek. Het was een gok om er heen te gaan, maar ik ben heel blij dat ik er was.
recensie van Neil van der Linden voor Basiacofuoco.com
https://basiaconfuoco.com/2025/03/22/het-terugvinden-van-een-moeder-in-oum-a-sons-quest-for-his-mother/