Hoe populair ze de voorbije seizoenen ook waren: romanbewerkingen voor toneel blijven riskant. Dat de wetten van de epiek en die van de dramatiek anders functioneren bewijst ten overvloede Oorlog en terpentijn, waarvoor regisseur Jan Lauwers van Needcompany het bekroonde boek van schrijver Stefan Hertmans naar zijn hand zette. Of liever: te weinig naar zijn hand zette, waardoor de voorstelling een weinig dynamische hervertelling is geworden van de roman.

Het is niet eerlijk om een productie af te rekenen op de buzz die er op voorhand rond wordt gecreëerd, maar het is wel moeilijk om die te negeren. Oorlog en terpentijn moet zowat de meest vooraangekondigde première van het najaar geweest zijn: de gelijknamige en gelauwerde bestseller van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans (AKO-Literatuurprijs, nominatie Man Booker) bewerkt en geënsceneerd door regisseur Jan Lauwers van het gerenommeerde Needcompany.

In Oorlog en terpentijn gaat Hertmans in de figuur van ik-verteller op zoek naar de geschiedenis van zijn grootvader, die als oorlogsheld de Eerste Wereldoorlog overleefde, zijn grote liefde verloor en zijn hele verdere leven de herinnering aan de gruwel trachtte te beteugelen in dienstbaarheid aan de kunsten – hij was schilder.

Begrippen als kleur, vorm, textuur beheersen de roman op verschillende niveaus – op het niveau van Hertmans’ eigen plastische idioom, bijna aanraakbaar als verf, maar ook op het niveau van het verhaal, want de wereld van deze Urbain Martien is doordrongen van afgesneden dierenkoppen, smeltend ijzer, verwrongen lichaamshompen en zwartgeblakerd vlees maar anderzijds ook van laag strijklicht, lelieblauwe mantels, loodwitte schakeringen en de geur van terpentijn.

Dat plastische aspect in taal en verhaal is eigenlijk een kolfje naar de hand van Needcompany, waarvan de beste voorstellingen (zoals De blinde dichter uit 2016) kunnen omschreven worden als beeldende kunstwerken waarin naast tekst ook kleur, licht, beweging, lijf en geluid hun deel vertellen. Lauwers en zijn performers benaderen de bühne als een canvas waarop ze met dikke, vette, explosieve vegen kleur en betekenis aanbrengen. Dat creatieve proces vergt natuurlijk een vrije benadering van het basismateriaal, en de indruk ontstaat dat in het geval van Oorlog en terpentijn – ondanks het stellige vertrouwen dat de schrijver de regisseur schonk – die vrijheid ontbrak.

Wat Lauwers realiseert is een getrouwe, wat brave versie van het verhaal, in bijna klassiek realisme dat te zelden door ironische knipogen, wervelende fysieke uitspattingen of sterke autonome beelden wordt doorbroken. Alleen de muziek, in een gedreven compositie van Rombout Willems, lijkt zich met een eigen koppige vertelstem te hebben losgezongen van de illustratie. Wat violist George van Dam, pianist Alain Franco en cellist Simon Lenski op hun rijdend platform uit de vingers toveren is opwindender dan de grotendeels banale choreografie van de performers.

Bij aanvang komen de drie centrale figuren gearmd aanlopen: Grace Ellen Barkey in de allegorische gedaante van ‘geschiedenis’ of ‘tijd’ (ze draagt een verpleegstersoutfit), Viviane De Muynck die als verteller uit het dodenrijk het verhaal van Urbain zal doen vanuit het standpunt van zijn echtgenote Gabrielle, en Benoît Gob, die er als soldaat-schilder Martien zelf vooral het zwijgen toedoet, maar met uiterste zorgzaamheid en precisie live zijn vrouwenportretten schetst – inclusief dat van de Dood, want ook zij is een dame.

De setting is sober, met De Muynck op een verlaagd voortoneel aan tafel, rechts van haar een intiem schilderskabinet met wat werken uitgestald en Gob aan de schildersezel en daarachter, gescheiden door een klein toneeldoek, de grote scène van de Grote Geschiedenis. Het is Barkey die, door met het toneeldoek te wapperen, de golven van de geschiedenis in gang zet, waardoor we, terwijl we op het voortoneel nog volop in de jeugdjaren van Urbain Martien zitten, op het achtertoneel af en toe een glimp opvangen van wat de historie voor hem in petto heeft. De performers van Needcompany sleuren er met onderdelen van een grote marionet. Het zal een Maria-icoon blijken te zijn, dat met indrukwekkend aplomb ten hemel stijgt – einde van de maagdelijke onschuld van Urbain, die weldra van armoedige volksjongen zal transformeren tot plichtsgetrouwe soldaat.

Door de hele voorstelling, maar vooral in het tweede gedeelte waarin de oorlogsjaren van Martien aan bod komen, is de rol van de Needcompany-performers problematisch. Eigenlijk is er voor hen geen rol: het verhaal rust op de schouders van het driespan vooraan – de grootmoeder, de grootvader en de figuur van Barkey. De laatste hinkt heen en weer tussen het universele en het persoonlijke verhaal, tussen heden en verleden, tussen het rijk van de levenden en dat van de doden. Haar personage is een originele en mooie toevoeging – de soldaten vechten met dit lichaam van tijd, ze vervloeken of omarmen het, trachten het te overweldigen, maar zij van haar kant deelt evenzeer klappen uit.

Het is vooral in de uitwerking van de oorlogsgruwel dat het regiegewijs behoorlijk misgaat. De performers rollen schreeuwend en stuiptrekkend in man-aan-mangevechten over de grond, vallen dood en vliegen elkaar naar de keel, maar veel indruk maakt het allemaal niet: de pogingen om het toneel te vullen kunnen niet verhullen dat er een leegte is in verbeeldingskracht: hier wordt de oorlog uitgebeeld, niet verbeeld.

Van een andere orde – in die zin dat ze wel betekenis toevoegt – is de scène waarin de groep de zwarte vleugelpiano van Franco voortsleurt als was het een stuk zwaar geschut dat vaststeekt in de modder; of het moment waarop de getroffen Martien net voor hij de grond raakt een visioen krijgt van een sierlijk ronddansende ballerina. Op die momenten raakt Lauwers de essentie van de roman, door een beeld te creëren dat iets vertelt over de manier waarop de mens ondanks armoede, gruwel en verlies vatbaar blijft voor schoonheid.

In het laatste deel komt deze essentie nog het meest krachtig tot uiting – het is het deel waarin de held zijn grote liefde verliest, de vreugde van zijn leven, en uit plichtsbesef haar gereserveerde zuster huwt. Alles speelt zich nu opnieuw af op het voorplan, in een knusse huiselijke setting. De vrouwenportretten van Gob zijn de enige sublimatie die voor soldaat-schilder Martien overblijft: de worsteling met het clair-obscur, met de nuances van licht en donker: op het papier, op het canvas en in zijn ziel.

Waar het ‘grote verhaal’ van de Eerste Wereldoorlog platweg bleef steken in een illustratie van die oorlog, openbaart zich in de laatste scènes, waarin het toneelbeeld wordt leeggehaald, wél plots een groot verhaal – over de worsteling van een mens, het gevecht met zichzelf en met dat dobberende vlot van de geschiedenis, waaraan Urbain Martien en alle andere getraumatiseerde overlevenden zich vastklampen, met als enige zekerheid dat ze desondanks vooruit moeten met dit leven. Dit slotbeeld opent een eigen wereld, eentje die losstaat van de roman, maar autonoom spreekt over het feit dat een mens kan verscheurd raken tussen schoonheid en gruwel, en over de vraag wat schoonheid eigenlijk vermag tegen die gruwel, wat licht vermag tegen donker. Maar van dat soort beelden, van dat soort gedachten zijn er in Oorlog en terpentijn veel te weinig.

Foto: Maarten Vanden Abeele