Als Theo Maassen ziet hoe juichende voetbalsupporters in het stadion zichzelf filmen, vraagt hij zich af: zijn we als maatschappij aan het rijpen of rotten? Als we pure vreugde niet meer kunnen doorleven, is de mensheid reddeloos verloren, stelt hij.

Rijpen of rotten: het is een vraag die de 58-jarige cabaretier ook over zichzelf stelt. Jaren zijn als gewicht, constateert hij: je zeult ze met je mee. Toch omarmt de Gen X’er in zijn twaalfde cabaretprogramma Onbegonnen werk zijn leeftijd. Opgegroeid zonder mobiele telefoon, zonder internet, zonder fakenews (hooguit met De fabeltjeskrant), mist hij tegenwoordig de helende kracht van ‘praatjes maken’ met elkaar.

Op het achtertoneel is een enorme foto te zien van een zwerm spreeuwen, die zich met duizenden tegelijk als één dansende wolk in de lucht kunnen voortbewegen zonder elkaar te raken. Maassen voert juist een pleidooi voor wat meer tegen elkaar opbotsen. Maar net zoals auto’s vroeger nog een flinke rubberen bumper kregen, hebben we als mens ook bumpers nodig, stelt hij. In zijn ideale wereld kun je elkaar raken, zonder elkaar te beschadigen.

Net als de spreeuw, voelt ook de mens zich in groepsverband veiliger dan alleen. Verstoten worden uit de groep is onze grootste angst, zegt hij als hij refereert aan de Privé-kwestie: het roddelblad dat hem vorig jaar beschuldigde van huiselijk geweld. In deze verharde tijd ligt uitsluiting meer op de loer dan vroeger, toen de vieze Pietjes (welke buurt had er geen?) weliswaar vieze Pietjes waren, maar er ook gewoon mochten zijn.

Dat de maatschappij over de linie de prioriteiten niet meer op orde heeft, blijkt volgens hem bijvoorbeeld ook uit het feit dat elke tiener tegenwoordig naar de orthodontist gaat. Zo’n beetje alle jongeren zijn eenzaam, leven ongezond en zijn diep ongelukkig, maar de tanden staan kaarsrecht.

Zo verlangt Maassen hardop en veelvuldig terug naar tijden toen tanden nog gewoon scheef mochten staan. Vaak resulteert dat in woedende tirades, die de doorgewinterde cabaretier zoals gewoonlijk perfect opbouwt: vol geladen spanning en toenemende onrust. Bepakt met observaties, metaforen en hyperbolen attaqueert hij een maatschappij waar hij steeds minder van begrijpt.

Maar meer dan een scherpe blik op de samenleving, heeft Onbegonnen werk vooral een hoog vroeger-was-alles-beter-gehalte, met zeer wisselend resultaat. De dingen waar hij zich het meest druk om maakt, zijn precies de onderwerpen waar hij de minst interessante zaken over te melden heeft. Hij windt zich (als vanouds) op over het identiteitsdebat, de verpreutsing van de samenleving, het in zijn ogen doorgeslagen slachtofferschap van de jonge generatie.

Het zijn voorspelbare, uitgekauwde stukken, waar hij originele grappen noch boeiende blikrichtingen aan verbindt. Hij maakt zich (nog steeds) druk om het onderscheid tussen zwart en wit voor het aanduiden van huidskleur: dat soort ‘politiek correcte’ woorden noemt hij obstakels, ‘dammetjes’ voor water dat juist vrij zou moeten stromen. Het is eigenlijk een prachtige vergelijking, want dat is natuurlijk precies wat dammetjes doen: ze stuwen brak, stilstaand en ongezond water op, en geven precies de impulsen die een rivier juist doet stromen.

Maassen manoeuvreert zichzelf in een underdogpositie waar hij goed op vaart en die hem veel (grappen, publiek, programma’s) oplevert, maar toont opvallend weinig inlevingsvermogen in andere groepen die hun plek bevechten en zich daar (understatement alarm!) minder comfortabel bij voelen.

Er is echt nog wel veel te lachen – van plastische seksgrappen tot spitsvondige omdraaiingen – om deze ijsberende twijfelaar, maar een interessante blik op de condition humaine van deze tijdgeest blijft uit. Vroeger was alles beter, en dat geldt helaas ook voor het werk van Theo Maassen.

Foto (archief): Vincent van den Hoogen