Hij zegt het eerlijk in de programmafolder van NEXT #2, de tweede editie van een pop-up initiatief van Conny Janssen Danst. Op onverwachte locaties in Rotterdam en Schiedam presenteert het Rotterdamse dansgezelschap een drie kwartier durende choreografie van een getalenteerd mid-career maker. Choreograaf Dalton Jansen (31) kreeg de opdracht een lichte voorstelling te maken. ‘Ik moet eerlijk bekennen dat ik daartoe niet in staat ben op dit moment. Ik heb moeite met de verharding en de polarisering van de samenleving’, aldus zijn antwoord.

En dus maakte Jansen met zeven dansers van Conny Janssen Danst een pittig, expressief werk, met een trigger-warning, die het publiek in WORM vooraf attendeert op expliciete verwijzingen naar (huiselijk) geweld. Wie vertrouwt is met Jansens rauwe, confronterende en deels autobiografische voorstellingen, zoals het prijswinnende Birds (2022) over de harde werkelijkheid in gesloten jeugdzorginstellingen, weet dat hij met gekromde ruggen, beukende schouders en gebalde vuisten uiting geeft aan opgespaarde woede.

Ook in NEXT #2: Bite the Bullet clustert het zevental iedere keer weer samen, om met stampende voeten, bonkende bovenlichamen en hamerende handen vorm te geven aan innerlijke frustraties. Als een leidmotief keert dit in dans gevatte gevoel van onmacht terug. Maar niet zonder dat er ook zachte, troostende duetten uit voortkomen: liefdevolle aanrakingen van een hand op een schouder of een hoofd tegen een borstkas. Ze lossen elkaars pijn niet op, maar bieden wel een buffer, een tedere tegenkracht.

De zeven dansers beginnen keuvelend op de vloer, om daarna genoeglijk een salsa-dansavond aan te vangen. Zo lijkt het. Maar telkens maakt één danser zich los om met somber gezicht tegengas te geven aan de swingende gezelligheid. Mattia Trematerra is de eerste die een megafoon pakt om zijn stille verzet een stem te geven. Maar nog voor zijn boosheid een weg vindt naar de stemversterker, smoort Pedro Ricardo Henry zijn actie, door de megafoon weg te sluizen. Met een hand op diens hart probeert hij zijn dansvriend te kalmeren. Een vleug salsa keert terug. En dan begint het refrein weer, met die krachtige groepsdans van gezamenlijk geuite woede.

Daarna is het Sara Mistrorigo die dreigend een honkbalknuppel in rondjes over de vloer sleept en Henry hardhandig tegen de grond werkt. Ook zij wordt weer zachtjes ingelijfd door de heupwiegende groep. Met daarna het krumpende refrein van stamp-op-stamp en klap-op-klap.

Sofia Filippi spuugt haar kwaadheid uit, door geluidloos met open mond en verkrampt lichaam te ‘schreeuwen’. Margarida Silva rent woest rondjes in glansrok. En Manon Delanoë zoekt met korte trillende motoriek háár moment van stuurs isolement. Om daarna weer in de zevensprong op te gaan.

Zo maakt Jansen een boeiend, leesbaar groepsstuk met een stevige bite, in sterk contrast met de rustige kabbelende, filmische echomuziek van de Rotterdamse componist en producer Winterdagen (Mink Steekelenburg). Danser Timo Andenmatten lijkt uiteindelijk de fascinerende beschouwer te zijn. Hij staat meermaals aan de kant te deinen en te kijken. Aan het slot, wanneer zijn zes collega’s eeuwig door lijken te dansen, vertraagt hij stapsgewijs langs de tl-balken aan het achtereind van de vloer. Alsof hij heel voorzichtig toch het licht aansteekt, zij het ingetogen. Tot zijn voet de megafoon raakt. Pakt hij hem op of niet? Dat zou voer zijn voor een interessant vervolg van dit kort en bondige, spannende project van Conny Janssen Danst.

Foto’s: Martijn Kappers