Altijd leuk, het weetje wat iemands laatste woorden waren. Voor Frank Sinatra waren dat: ‘I’m losing’, want in 1998 besefte de 82-jarige zanger/filmster dat hij dat laatste gevecht niet meer kon winnen na zijn hartaanval. (meer…)
Wat als je de menselijke danser overbodig maakt? Wat blijft er over van dans wanneer het lichaam verdwijnt, en alleen de beweging blijft? In Moving Skin (tijdens Tweetakt) neemt de Vlaamse choreograaf Ugo Dehaes zijn publiek mee op een wonderlijke, bij vlagen lugubere expeditie naar de grens tussen mens en machine, tussen leven en programmering. Hij laat de huid dansen, herbouwt spieren, construeert zenuwbanen en probeert, met soms hilarische anekdotes en technisch vernuftige robotjes, het perfecte lichaam te ontwerpen.
Dehaes, al vijfentwintig jaar maker van eigenzinnig werk, is geen grootspreker, geen performer in de klassieke zin. En toch weet hij vanaf de eerste minuut het publiek aan zich te binden met zijn ontwapenende nerdy charme. Bewapend met een kartonnen archiefdoos als sidekick neemt hij ons mee langs de kronkels van zijn carrière. Hij toont oude flyers, programmaboekjes, zelfs een videoband en een mini-dvd’tje, alsof hij ons kidnapt naar het pre-digitale museum van zijn artistieke leven. Er is ook een schoolklas in de zaal, en speciaal voor hen legt hij uit wat een VHS is – ‘de dikke dvd’ – met een pedagogische flair die haast aandoenlijk is.
Ook ik werd onverwacht teruggeworpen naar mijn eigen jeugd — een tijd waarin analoge technologie nog de norm was. Interviews nam ik op met mijn handicam, met daarin kleine bandjes, muziek schalde uit mijn Sony Discman. Het zijn precies deze nostalgische herinneringen aan oude apparatuur aangehaald door Dehaes die Moving Skin tegelijk een blik op de toekomst van beweging geven, maar ook tot een reflectie op waar we vandaan komen als mens.
Wie Dehaes’ werk volgt, herkent in Moving Skin een voortzetting van thema’s die hij al aansneed in zijn voorstelling Simple Machines (2021). Daar onderzocht hij de mechanica achter beweging en de relatie tussen mens en techniek, door het lichaam te zien als een ingenieus samenspel van hefboompjes, tandwielen en motoriek. Simple Machines was een ontleding van fysieke processen, waarin de dansers de grenzen van het menselijke lichaam opzochten en tegelijk de complexiteit van alledaagse bewegingen blootlegden. Moving Skin bouwt hierop voort, maar verplaatst de focus naar het organische: vlees, huid en zelfs zenuwbanen worden niet alleen geanalyseerd, maar bijna letterlijk ontleed en gereconstrueerd.
In Moving Skin is niets zomaar anekdote. Elk detail, hoe onbenullig ook, blijkt later functioneel, ingebed in de grotere choreografie van het verhaal. Zelfs zijn monoloog is tot in de puntjes geregisseerd, met pauzes, herhalingen en gebaren die aan dans doen denken. Dehaes bewijst dat een choreografie zich niet alleen in het lichaam, maar ook in het denken en vertellen kan nestelen.
De scenografie is vrij intiem. Het publiek zit rondom een grote rechthoekige tafel, die doet denken aan een laboratorium-, montage-, of zelfs operatietafel. Boven ons hangt een netwerk van snoeren, sensoren en lichtjes. Uit deze hightech-installatie haalt Dehaes zijn eerste dansers tevoorschijn: drie kleine metalen figuurtjes, aangedreven door mini-motoren. Ze schuifelen, haperen, cirkelen – ontwapenend en tegelijk beklemmend.
Eén robotje stokt halverwege. ‘Dat ben ik’, merkt Dehaes droog op. Ooit maakte hij een voorstelling waarin hijzelf danste met twee professionele danseressen, maar het tempo hield hij amper bij. Het levert gegniffel op in de zaal, maar ook herkenning: dit lijkt de kern van zijn fascinatie. Wat als je een danser kon bouwen die nooit moe wordt?
Vanuit dat verlangen ontwikkelt hij zijn eigen mini-motoren – zichzelf aangeleerd via Instagram, jawel – bestaand uit 1. een batterij, 2. een magneet, 3. een koperdraadje. Vrolijk schakelt hij zijn publiek in om de batterijen te vervangen en draadjes aan te sluiten op stroompunten. Het is participatief theater op zijn best: zacht en uitnodigend, nooit dwingend. Dan komt de duistere wending. Dehaes toont spieren van een koe, een kip en een lam, gekocht bij de slager. Hij sluit stroom en draadjes aan, en het vlees trekt samen. Het beeld is tegelijk fascinerend en ietwat luguber. Van plastic zakjes maakt hij vervolgens zenuwbanen, aangesloten op zijn robots. Paars uitgelicht slingeren ze zich over het tafelblad als dansende kwallen, of als de billen van flamenco danseressen met opbollende rokken.
Als apotheose introduceert hij hersenen – op wieltjes, verpakt in doorschijnend folie, en later bedekt met huid. ‘Zelf gekweekt’, beweert hij. Dode cellen onder zijn nagels als uitgangspunt. De projecties op de tafel tonen hoe een enkele cel uitgroeit tot een oppervlak vol haar, poriën en tientallen vingers. Hij verwijdert het doek en onthult de mechaniek eronder: kleine motoren die het hele beeld/doek lieten golven.
Op het eind kruipt Dehaes letterlijk in zijn eigen installatie, in het gat midden in de tafel. Zijn bovenlijf draait, golft, strekt – een choreografie van vlees, bot en bezieling, verlicht door zijn eigen machines. De maker wordt weer mens, de mens weer object, in een knetterende botsing tussen precisie en poëzie.
Moving Skin is een intieme voorstelling, die op tragikomische wijze de menselijke beperking omarmt. Met ontwapenende charme, spieren die ‘ademenen’ en een scherpzinnig oog voor ritme, toont Dehaes dat de toekomst van dans niet in het verdwijnen van het lichaam ligt – maar juist in het radicaal opnieuw vormgeven ervan.














