In MOM achtervolgt de verborgen camera de drie neveldieren (Spinvis, Saartje van Camp, Hans Dagelet), die zich proberen te verhouden tot een schijnbaar alwetende ondervrager. Soms lijkt dat een eindgesprek met God over het geleide leven, soms lijkt het Orwells 1984. Binnen die dwingende context vormt onze behoefte aan geheimen en privacy de kapstok voor de etherische liederen van Spinvis en Van Camp.

De woorden die Dagelet zal gaan uitspreken staan voor aanvang van MOM (synoniem van masker) al groot geprojecteerd in het decor. Midden op het podium staat een ondervragingstafel met hoog daarboven een camera. Om en om laten de Neveldieren zich door de camera ondervragen, hun opkijkende, schuldbewuste gezichten groots opgeblazen op het achterdoek. Op zoek naar wat die alwetende camera horen wil, beginnen ze zich steeds weer te verontschuldigen.

Met drums, bugel, cello, gitaar, mamola en natuurlijk veel synthesizers maken ze een sfeervolle soundscape, die gedurende de voorstelling van benauwend mechanisch toewerkt naar een soort heerlijk losgeslagen rave. In Spinvis’ liedjes als ‘Voordeel van Video’ en ‘Nachtwinkel’ hoor je de controlerende buitenwereld, maar de geheime, verborgen binnenwereld krijgt steeds meer ruimte, zoals in Van Camps ‘Die man in mij’.

Kostuums, decor en vormgeving benadrukken het Big Brother gevoel: het drietal draagt uitdrukkingsloze dodenmaskers en identieke fluorescerende pakken, maakt robotische bewegingen en trekt grote grimassen. Op de achterwand zijn beveiligingscamerabeelden met gezichtsherkenning geprojecteerd. Ook reflecteren verschillende geïnterviewden op alle camera’s in de openbare ruimte en de waarde van privacy – hun uiteenlopende opvattingen en ervaringen zijn fascinerend.

Met een populair thema als ‘de maskers die we dragen en rollen die we spelen’ kun je natuurlijk alle kanten op. Naast de goedgekozen nadruk op digitale controle onderzoekt MOM ook andere richtingen. Terwijl Spinvis en Van Camp zich gecontroleerd voelen en achterdochtig zijn, met vragen als ‘wat wil je van me horen?’, lijkt de belangrijkste andere lijn hoe Dagelet de dood in de ogen kijkt en half-vergetend terugblikt op het leven. Hij stelt zich vragen als ‘wat voor iemand was ik?’ en ‘ik heb het toch wel goed gedaan?’.

Best inventief hoe ze met regisseur Marcel Sijm die twee toch behoorlijk verschillende lijnen samenbrengen in een overkoepelend gevoel van bekeken worden, verantwoording afleggen en zoeken naar identiteit. Of je je nu bekeken of veroordeeld waant door een god, camera’s, de media of je naasten, ieder moet afwegen hoe zich te gedragen en dat rijmen met diens innerlijke criticus. Het slottafereel is bovendien schitterend.

Beeld: Stills Spinvis