De Italiaanse choreografe Giorgia Nardin liet tijdens de Nederlandse Dansdagen haar voorstelling en ‘tijdelijke activistische community’ Minor Place zien. Het stuk werd gefinancierd door een EU project, waaraan behalve de Dansdagen ook The Place in Londen en Centro per la Scena Contemporanea in Bassano del Grappa deelnemen: Pivot Dance.

Minor Place is een participatiestuk. Het publiek wordt uitgenodigd om mee te doen (doet uw schoenen uit, gaat u zitten op de vloer, ontspan u, sluit uw ogen, etcetera). Giorgia Nardin neemt de tijd voor de verschillende praktijken die ze met haar publiek wil delen. Iedereen die wel eens een training heeft gedaan of een vorm van ontspanning heeft geoefend – het aanbod is tegenwoordig overweldigend – herkent het repertoire van bewust ademen, het lichaam in delen ontspannen en de talige metaforen en visualisaties die de ervaring van het eigen lichaam een extra dimensie geven. En er staat muziek aan. Ik zie geen credits in het programmaboek van de Dansdagen, maar hij is erg bepalend voor de ervaring.

Het publiek, zeker het aandeel studenten, is uiterst bereidwillig om mee te doen. Terwijl iedereen zich probeert voor te stellen hoe zijn of haar hart het kloppende midden is van een ruimte, ‘… to imagine the space that I occupy, my volume determined by the pulse of my heart beat, going outward in all directions …’, vraag ik mij af wat het betekent dat een volgende generatie spiritueel ingestelde mensen het theater gebruikt voor iets dat geen therapie mag worden genoemd, maar ook niet echt een artistiek voorstel doet. Het voelen van je hart als kloppend midden vergt iets meer tijd dan de vijf minuten die Nardin erin steekt. Tegelijkertijd geeft dit voorbeeld aan hoe vreselijk cliché de voorstellen zijn die Nardin in haar pakket heeft. Nergens bouwen de verschillende uitnodigingen aan het publiek op tot iets dat uitstijgt boven wat er op het eerste beste dorpshuis of buurtcentrum in Nederland aan cursussen voorhanden is.

Nardin verwijst naar de vierde generatie feministen, maar tijdens haar voorstelling wordt nergens tastbaar wat ze daar precies mee bedoelt. Wel gebruikt ze traditionele ‘vrouwelijke’ strategieën om haar publiek bij de les te houden. Het stuk is op te vatten als een uiterst trage striptease, waarbij Nardin tussen de verschillende spelrondes steeds iets uittrekt, en met haar welgevormde lichaam steeds meer de voyeuristische blik activeert.

Ook nodigt ze haar gasten geen moment uit tot eigen initiatief of zelforganisatie. Uiterst vriendelijk doch dwingend legt ze de groep een reeks opdrachten voor, die alleen als je haar precies volgt, zin hebben. Dit levert een uiterst gedisciplineerde groep op, een fysiek koor, dat een uurtje samenzit, -ligt en -voelt. Het publiek krijgt met alle opdrachten ook de verantwoordelijkheid er iets van te maken, zij het impliciet.

Ondanks de pleegzusterbloedwijntoon beweegt Nardin namelijk met haar voorstellen eigenlijk niets in het bijzonder. Wat ze doet is aanhaken bij een algemene tendens om het lichaam iets serieuzer te nemen. Maar hoe dat in theater zou kunnen worden uitgewerkt, en specifiek zou kunnen worden gemaakt, daarvan geen spoor. Om het kleine evenement dan ook nog als activisme voor te stellen, maakt duidelijk hoe opportunistisch er tegenwoordig, niet alleen door Nardin, met het erfgoed van de wereldverbeteraars van eind twintigste eeuw wordt omgegaan.

Foto: Alice Brazzit