De Nationale Opera kan terugkijken op een prachtig seizoen met Lulu van Alban Berg als waardige afsluiter. Dat kon eigenlijk niet anders met zoveel kwaliteit onder, op en rond het podium. Het is de derde maal in de geschiedenis van De Nationale Opera dat Lulu op het repertoire staat, maar het is de eerste keer dat de volledig voltooide versie in Amsterdam (in het kader van het Holland Festival) wordt uitgevoerd.

Alban Berg, leerling van modernist Arnold Schönberg, liet Lulu na zijn overlijden in 1935 zonder derde akte achter. Pas in 1979 ging de, door Friedrich Cherha, voltooide versie in Parijs in première. Die versie is goed voor een bijna vier uur durende kolkende stroom ‘twaalftoonsmuziek’ waarin je als luisteraar genadeloos wordt ondergedompeld, meegezogen en zo nu en dan reddeloos verloren raakt.

De muziek, die zich beweegt op de breuklijn tusssen laat-romantiek en moderniteit, vraagt veel van de luisteraar. Het is geen gemakkelijke kost. Zeker de eerste akte lijdt aan een zekere muzikale onderkoeldheid en problematische spanningsopbouw. Maar dat het een van de meesterwerken van de vroege twintigste eeuw betreft staat buiten kijf: in weinig andere partituren vind je zo’n rijkdom aan kleuren en klanken. Het is een werk met een aan perfectie grenzende muzikale architectuur.

Voor de zangers moet dit een monsterklus zijn. Voor hun inzetten zijn ze namelijk volledig afhankelijk van hun partners op het podium en de dirigent in de bak. De solistencast in Nationale Opera & Ballet bracht het er echter zonder kleerscheuren vanaf. Wat een topzangers stonden er op het podium! Zangers (zoals Mojca Erdmann, Jennifer Larmore, Johan Reuter en Daniel Brenna) die niet alleen oog hadden voor de formele kant van Bergs muziek, maar ook de gloedvolle warmte wisten over te brengen. Zelfs de 77-jarige Franz Grundheber stond als Schigoch zijn mannetje. Deze zangers bleken niet alleen over indrukwekkende vocale kwaliteiten te beschikken, ze acteerden ook nog verduiveld goed.

De Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenaar William Kentridge smeedde als regisseur het geheel aaneen tot een wonderschoon, maar wel overdadig, cartoonesk drama met een burlesk tintje. De personages lopen in en uit een decor, dat bestaat uit schuivende panelen waarop animatie en videoprojecties te zien zijn. Gezichten, verfstrepen, houtskooltekeningen, de hardheid van de lijnen en het kille zwart van houtsnedes: het geeft deze enscenering – die later in Londen en New York te zien zal zijn – een grote visuele uitdrukkingskracht. Het schept een suggestieve theatrale ruimte waarin fictie en werkelijkheid, droom en nachtmerrie in elkaar overlopen.

Voeg daarbij het uitstekende spel van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Lothar Zagrosek en je hebt een voorstelling die je gezien en gehoord moet hebben. Zagrosek verving op het allerlaatste moment Fabio Luisi, die wegens familieomstandigheden moest afzeggen. Wat een klus om zo’n zware partituur op het allerlaatste moment over te nemen! Hier en daar had het wel wat strakker in de tempi gekund, maar ook Zagrosek leverde een sublieme prestatie.

Foto: Clärchen & Matthias Baus