De opera L’Orfeo heeft bij de Nederlandse Reisopera een derde hoofdpersoon gekregen: een gazen kunstinstallatie die Ego heet. Dit kunstwerk, ontworpen door Lonneke Gordijn van Studio Drift, zeilt, zweeft, vliegt, wiekt en ademt de gehele voorstelling op en boven het toneel.

Het transparant-glinsterende doek verbeeldt alles waar de opera over gaat: nu eens is het de Styx, de onderwereldrivier, dan de onderwereld zelf en de boot van veerman Charon die de levende zielen overzet naar het donkere, koude schimmenrijk; het symboliseert zelfs de ziel van Orpheus’ geliefde Euridice als zij terug moet keren in de onderwereld. Als aan het slot Euridice als sterrenbeeld aan de hemel staat, lijkt de sculptuur op de sterrenhemel.

In de regie van Monique Wagemakers is Claudio Monteverdi’s opera uit 1607 een ‘totaalkunstwerk’: met het fluïde Ego, met dynamische groepsballetten van Nanine Linning en vooral de schitterende begeleiding door ensemble La Sfera Armoniosa dat speelt op authentieke instrumenten onder leiding van dirigent Hernán Schvartzman.

De tien zangers en tien dansers zijn onophoudelijk op het toneel, als een kloppend organisme dat vloeit en golft over de bühne. De opera geldt als de eerste opera uit de muziekgeschiedenis en markeert de overgang van renaissance naar barok. Die spanning tussen twee tijdperken, met elk een eigen artistiek-muzikale eigenschap, is herkenbaar in muziek en handeling: nu eens klinkt de partituur formeel en streng, dan barst de muziek van emoties.

In het begin is alles feest: halfgod Orpheus viert met zijn herders het geluk van zijn huwelijk met Euridice. De herders omstuwen hem en dragen hem op handen. Heel de wereld is een groot bucolisch liefdesspel met herders en nimfen. Mezzosopraan Luciana Mancini bezingt de Muziek. Het gazen doek tintelt en vibreert boven hun hoofden.

Opvallend is dat de opera al snel omslaat van majeur in mineur. Dezelfde geweldige mezzo Mancini komt plots op en verhaalt met jammerende stem over het noodlot dat Euridice trof: met haar nimfen plukte ze bloemen in de weide en werd door een slang gebeten. Dat is een schitterend beeld: de dodelijke slang tussen de zoete bloemen.

Titelrolzanger Samuel Boden, tenor, staat op dat moment gevangen in het gaas. De dramatiek van de scène is zonder meer indrukwekkend: Mancini als Messagiera, de boodschapster, maakt van geluk nu een inktzwarte wereld. Boden zingt met lyrische tenor over het noodlot dat hem trof en hij besluit Euridice terug te halen uit de onderwereld. Hiermee krijgt een van de grootste klassieke mythen haar betekenis: liefde en dood, menselijke overmoed om de dood uit te dagen en de dood te overwinnen.

Maar de god van de onderwereld stelt een eis: tijdens de terugkeer uit de onderwereld mag Orpheus niet achterom kijken. Die eis versmaadt uiteindelijk Orpheus: hij kán eenvoudigweg niet geloven dat Euridice met haar prachtige ogen achter hem loopt. Hij vermoedt dat de hele opzet een truc is van de jaloerse Pluto. Dus: hij moet die ogen zien want ‘Amor is sterker dan de dood’. En ja, hij kijkt om: op dat moment verandert het gazen doek in een soort lichtgevende bliksemflits en schiet het donker in, weg is Euridice. Wat een schitterende operascène. Hier kan Orpheus’ goddelijke zang, zíjn ultieme kunst, niets aan veranderen. Prachtig geeft lichtontwerper Thomas C. Hase de dolende zielen in de onderwereld vorm als eveneens zwervende lichtpunten.

Hoe fragiel het kunstwerk Ego als dynamisch element ook is, zo anders zijn de kostuums. Ontwerper Marlou Breuls kiest ervoor alle personage min of meer dezelfde dikmakende, propperige, met ribbels getooide kostuums te laten dragen, althans in de bovenwereldscènes. Ze zijn grauwig van kleur met verticale lijnen. Volgens haar is het niet nodig individuele verschillen te maken, want ‘de zangers en dansers vormen één homogene groep, één organisme. Zij zijn samen als het ware het ene lichaam van waaruit het verhaal wordt verteld.’

Van dichtbij werkt dat misschien, maar op grotere afstand (ik zat op rij 13) is Euridice bijvoorbeeld nauwelijks te onderscheiden, niet door kleur, niet door eigen kostumering. Pas als Euridice, gezongen door sopraan Kristen Witmer, zingt of door haar nimfen wordt opgetild, krijgt ze gezicht.

De lange, diepblauwe gewaden in de onderwereld zijn in esthetisch opzicht treffender. De kostuums maken van het ‘organisme’ dat het verhaal vertelt een statisch, al te zwaar geheel dat beslist niet mooi samenwerkt met het sublieme gewichtloze doek. Dat is toch een minpunt aan de productie, waardoor de rol van Euridice, zeker in de eerste bedrijven, zodanig wegvalt dat je je moeilijk met haar kunt identificeren. Ze is té ondergeschikt aan het grotere geheel, wat een vreemde keuze is.

Regisseur Wagemakers heeft perfect ingezien dat de angst voor de toekomst Orpheus’ grootste drijfveer is. Als je goed meeleest met de boventiteling van de Italiaans gezongen tekst, dan valt op dat librettist Alessandro Striggio al tal van voorspellende noodlottige elementen in de tekst heeft ingeweven, zelfs al in de gelukzalige herdersscènes.

De Italiaanse schrijver Cesare Pavese publiceerde in het prachtige dialogenboek Gesprekken met Leuco (1947) een opzienbarende visie op de mythe. ‘Orpheus’, stelt hij, ‘moet als iedereen eens in zijn hel afdalen. Hij heeft dat gedaan. Hij heeft zichzelf gezocht. Hij heeft zichzelf gevonden omdat hij tot inzicht kwam.’ Welk inzicht dat is, maakt deze schitterend gezongen en gemusiceerde voorstelling duidelijk: Orpheus wijkt niet voor de eisen van de dood.

Tenor Boden vertolkt krachtig zijn menselijke overmoed. Mancini in verschillende rollen is meesterlijk en Witmer in mooie dubbelrollen, niet alleen Euridice, ook de Hoop (Speranza) die Orpheus naar de onderwereld geleidt, is subtiel fraai. De bariton-bas Yannis François als Pluto, de god van de onderwereld, maakt onweerstaanbaar duidelijk dat zijn eis van niet-achteromblikken heel reëel is. Countertenor Nils Wanderer is een prachtige herder en geest in het dodenrijk.

De muzikale begeleiding door Schvartzman van het soepel spelende, rijke orkest van La Sfera Armoniosa maakt de betovering compleet. Het is alsof het orkest in de bak en het dansende doek Ego hoog boven de speelvloer één ademend geheel vormen, schitterend.

Foto: Marco Borggreve