‘Heeft u mijn zoon gezien?’ Terwijl Joost Oomen en Joep Hendrikx halverwege hun stoomvaart-introductie in Federico García Lorca zitten, worden ze onderbreken door een gesluierde Jos Nargy. De openingsscène van LORCA verwijst naar de slotscène van El Público, een nooit opgevoerd drama van de Spaanse dichter die centraal staat in deze wonderlijke Oerol-voorstelling. (meer…)
Net als de wereldberoemde Spaanse zangeres Rosalía studeerde Luna Zegers af aan de flamenco-afdeling van het ESMUC-conservatorium in Barcelona. Ze traden soms samen op en hadden dezelfde docenten en inspiratiebronnen. Begin deze maand culmineerde dat bij Rosalía in het magnifieke album LUX. Ook Luna stortte zich in haar derde grote project: een muziektheatervoorstelling waarbij de Spaanse dichter en toneelschrijver Federico García Lorca haar gids is. En daar houdt de vergelijking niet op.
Evenals Rosalía lijkt Luna van een uitdaging te houden en zichzelf graag opnieuw uit te vinden. Eerst was er de plaat Entre Dos Mundos, net als El Mal Querer van Rosalía gemaakt als afstudeerproject voor de ESMUC. Na dit album met louter eigen nummers en composities volgde haar ingrijpende boek SOLO. In beide werken staan de tragische ziektes en de dood van haar vader, moeder en zus tijdens haar tienerjaren en jongvolwassenheid centraal.
Nu gaat ze opnieuw een geheel ander avontuur aan met de muziektheatervoorstelling Lorca, Tussen Licht en Duister. Daarbij heeft ze sterke adviseurs in de arm genomen: Don Duyns begeleidde bij de teksten, Roland Haufe regisseerde. Doorgewinterd theatertechnicus Ray Vaessen (tevens de levenspartner van Zegers) maakte de soundscapes en projecties. Samen met de twee uitmuntende muzikanten Javier Infestas op slagwerk en Vicente Santiago op gitaar zorgt dat voor een zaal waarin de duende voelbaar is.
Luna krijgt dat voor elkaar door de spanning zorgvuldig op te bouwen en steeds weer uit andere vaatjes te tappen. Wie een avondje in flamboyante flamencojurken verwacht, komt bedrogen uit. Luna is gekleed in een zwarte broek en een zwart jasje met zilveren laarzen. Geen bloem in het haar. Geen wapperende rokken. Het podium is sober. Behalve de twee muzikanten en hun instrumenten staat er een hutkoffer, een hoge tafel met enkele boeken van Lorca en een kruk. Achter hen toont een scherm foto’s van Lorca’s werk, sfeerbeelden en de teksten van de liederen die Luna zingt. Aan weerszijden van het podium staan vier stoelen.
Wanneer het publiek binnenkomt, spelen Vicente en Javier al zacht bulerías terwijl Luna iedereen begroet en welkom heet. ‘Wie wil er op het podium komen zitten?’ roept ze, als een kermisexploitant die zijn attractie gevuld wil krijgen. Luna wil zo de intieme sfeer creëren van een juerga, een flamencofeestje in huiskamersfeer. En dat lukt snel, vooral nadat ze het publiek heeft uitgelegd hoe je in de flamenco aanmoedigt: agua (water), geroepen bij vingers die als vuur over de snaren gaan, en natuurlijk olé.
‘Deze voorstelling gaat niet over mij en niet over Lorca’, benadrukt ze aan het begin. Maar dat blijkt anders uit te pakken. De liedjes van Lorca, die ze verweeft met nieuwe en oude eigen composities, vertellen hoe zijzelf van het duister naar het licht kwam. De diepe gelaagdheid van Lorca’s liederen – zoals in Anda Jaleo, over een neergeschoten duif dat ook als verzetslied wordt gezien – komt daarbij niet altijd volledig tot zijn recht. De doordenderende soundscape laat daarvoor te weinig ruimte. Luna schrijft brieven aan de homoseksuele dichter, die in 1936 door de troepen van Franco werd vermoord, om steun en advies te vragen. Haar artiestennaam, Luna – Spaans voor maan – heeft haar bij hem gebracht. Want als er één dichter is die veel over de maan schreef, is het Lorca wel. Tussen sterk gezongen songs door gaat ze in dialoog met Lorca en met het publiek.
‘Doe ik het goed? Zou ik niet iets moeten doen waar de mensheid meer aan heeft?’ vraagt Luna zich vlak voor de pauze vertwijfeld af. Terwijl op de achtergrond een foto van een gestrande boot verschijnt, vertelt ze na de pauze dat elke vluchteling recht heeft op een goed leven. Zoals zijzelf na de dood van haar familie op zoek ging naar licht en leven in Spanje, en Lorca dat deed in New York. Beiden concluderen dat je jezelf altijd meeneemt. De ijzeren klem om je hart verdwijnt niet. Maar juist door weg te gaan leer je je eigen roots waarderen.
Uiteindelijk schrijft Lorca terug. Zijn eigen woorden en stem vermengen zich met de fictieve brief die hij aan Luna richt. Hij stelt haar gerust en spreekt haar moed in. Een mooie apotheose. Opvallend is hoe het ervaren flamencopubliek – dat ritmisch meeklapt, meestampt en op gezette momenten agua en olé roept – meegaat in de reis die Luna aflegt. Van de rauwe rouw en flamenco van haar cd Entre Dos Mundos naar de poppy technosound van haar nieuwe – nog te verschijnen – werk.
Sterk hoe die twee aan het einde toch elkaar weer vinden. De soundscape komt tot rust en Vicente en Javier maken met hun subtiele spel haar popsong Todo lo que tengo tot een tedere ode aan de liefde. ‘Niets, niets vraag ik van je. Alleen maar dat je me ziet. Dat je me ziet zoals ik ben.’ De zaal zindert. Luna heeft, net als Rosalía, lef getoond door grenzen te verleggen, maar ze heeft de flamenco niet verloochend. ¡Agua!
Foto: Floris Leeuwenberg












