Shakespeares King Lear in pakweg een half uur? Uitgevoerd door slechts twee acteurs? Klinkt onmogelijk, maar dat is buiten Dick van den Toorn en Alex Hendrickx gerekend. Bewapend met een gezonde dosis pragmatisme én een fijne voorraad droogkomische humor tonen ze zich, samen met Don Duyns (bewerking) en Paul van der Laan (regie), heuse bouwvakkers van het theaterambacht. (meer…)
‘Kinderen kunnen rijzen als ouders vallen.’ In hun nieuwe bewerking van Koning Lear focust Dood Paard op de strijd tussen generaties. De karakteristieke speelstijl van het collectief zit de inhoudelijke complexiteit echter danig in de weg.
Vanaf de eerste scène van Lear, de nieuwe voorstelling van Dood Paard, is het opletten geblazen. De vijf acteurs, naast elkaar gezeten op stoelen voorop de speelvloer, jakkeren er als een gek de bekende opening van het klassieke stuk doorheen: de koning die van plan is zijn rijk onder zijn dochters te verdelen, als ze maar even hun onsterfelijke liefde voor hem willen verwoorden.
Twee flemen erop los, de derde weigert omdat ze niet aan de poppenkast wil meedoen, en wordt prompt door haar vader verbannen. In de bekende speelstijl van het collectief ligt de nadruk op de buitenkant: de spelers weigeren net als Cordelia om emoties te veinzen en blijven ver weg van psychologisch realisme.

Het maakt van hun versie van Koning Lear eerder een satire dan een drama. De acteurs laten hun personages nooit iets incasseren maar reageren meteen met hun eigen tekst, waardoor spreken in plaats van luisteren voorop staat. Dat levert volop hilariteit op, vooral uit de koker van Manja Topper en Jorn Heijdenrijk, die met volle overgave komisch, bijna clownesk spel geven.
Topper maakt van Lear een hopeloze oude zak die het niet kan verkroppen dat er niet meer naar hem geluisterd wordt, en Heijdenrijk zet als Edmund een over de top slechterik neer, die geniet van zijn manipulaties en in geestige scheldkanonnades uitbarst als hij verwondingen oploopt.
De keerzijde van die insteek is echter dat je als kijker geen enkele emotionele verbintenis met de personages aangaat. Het stuk staat vol van de subplots, gedaanteverwisselingen en tekstuele uitwijdingen, die door de spelers allemaal dezelfde toonzetting meekrijgen. Zo wordt Lear een brij van verwikkelingen die compleet arbitrair aanvoelen, omdat er geen moeite wordt gedaan om de personages of de inhoudelijke thema’s van het stuk van een diepere laag te voorzien.
Op een meta-laag ontstaat daarmee wel een interessante paradox. Als de speelstijl van Dood Paard de ultieme vorm van transparantie en eerlijkheid is, wars van opgelegd sentiment of enige andere oprecht geveinsde emotie, en als die vooral koud en afstandelijk voelt, moeten we dan concluderen dat er voor menselijke connectie júist enig veinzen of zelfs liegen nodig is? Je kan je als kijker een andere versie van Lear voorstellen die met die vraag aan de haal gaat en daarmee ook de hele auteursvisie van de makers zelf op de pijnbank legt.
Dat is echter niet het stuk dat nu gemaakt is. In de bewerking van Topper en Kuno Bakker ligt de nadruk eerder op de strijd tussen generaties. In eerste instantie kun je, veel meer dan in andere versies, ook sterk meevoelen met de twee overgebleven dochters van Lear, die zitten opgescheept met een toxische vader en zijn gevolg van honderd grensoverschrijdende ridders (‘Asjeblieft vader, je bent hulpbehoevend, gedraag je dan ook zo!’).
De makers wijken echter te weinig van de oorspronkelijke tekst af, waardoor Regan en Goneril alsnog eendimensionale machtswellustelingen worden. Uiteindelijk kunnen (of durven) de makers niet ontsnappen aan de patriarchale kern van het stuk: dat er zonder vaderlijke autoriteit chaos ontstaat.

Vanwege de muur van tekst die de spelers bijna ononderbroken op je afvuren blijven inhoudelijke gedachten echter überhaupt op afstand. Het geestige spel van de acteurs biedt bij tijd en wijlen enig soelaas, maar ook de humor voelt te arbitrair om als lijm van de voorstelling te kunnen dienen – de grappen zijn komisch maar leveren geen dieper inzicht in de personages op.
Wel kun je Lear zien als een enscenering die zijn stinkende best doet om een specifieke kant van Shakespeares werk recht te doen: die van breed, lekker vuig volksvermaak, vol incident, schuine grappen, actie, gevloek en bloedvergieten. Dood Paard legt de focus op die elementen en laat pathos en inhoudelijke gelaagdheid bewust links liggen. Dat maakt hun Lear voor deze recensent een behoorlijke opgave, maar voor andere kijkers wellicht juist een heerlijke avond.
Foto’s: Sanne Peper














