Later word ik vrijwilliger voelt als experiment. Het is een interactieve beleving waarbij ik na afloop vrolijk gestemd naar buiten loop met het voornemen iets te goed te gaan doen voor een ander. Wat? Nou, theatermakersduo iona&rineke heeft al klusjes in gedachten, zo blijkt tijdens deze voorstelling: een evenement organiseren voor vrijwilligers van Theaterfestival Boulevard of vrijwillig tandheelkundige zorg gaan verlenen. Voor wie wil is er vrijwilligerswerk in overvloed.

Want wat als er geen vrijwilligers zouden zijn? Dan zou een brand niet worden geblust, dan zou de dierenambulance nooit uitrijden, dan zou een oudere bewoner in een zorgcentrum tevergeefs wachten op een aangenaam gesprek. Het stuk is een hulde aan de vrijwilliger en een oproep om ook zelf de handen uit de mouwen te steken.

Het in Utrecht gevestigde gezelschap iona&rineke maakt theater op basis van (eigen) teksten en composities. Later word ik vrijwilliger is vooral gebaseerd op een vaststaande tekst, al lijkt het soms improvisatie. Iona Daniel en Rineke Roosenboom studeerden beiden dramaschrijven aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en zijn zowel speler, schrijver als artistiek leiders van hun gezelschap. Ze maakten deze voorstelling samen met Eva Zwart.

De inbreng van het publiek bij deze interactieve ervaring met een dunne verhaallijn is groot. Steeds is er wisselwerking tussen spelers en publiek. En nee, niets hoeft, alles is op vrijwillige basis, toch doet iedereen mee, kinderen én volwassenen, zo blijkt bij de première. Het voelt als een intiem onderonsje. Verstoppen is niet mogelijk, elke toeschouwer krijgt al bij de ingang een sticker op de borst geplakt met in grote letters de eigen voornaam.

Na binnenkomst zoeken de bezoekers een plekje op een rij stoelen. Roel, een volwassen man, krijgt het vriendelijke verzoek om aan een bistrotafeltje te gaan zitten en mandarijnen te pellen. Of hij dat vaak doet? Natuurlijk doet-ie dat. Hij pelt elke dag een mandarijn, vertelt hij ook nog, goed voor de energie tijdens het werk. Twee jongens mogen een bladblazer en een waterspuit bedienen. Meteen ontstaat een sketch met een vader als slachtoffer.

Daniel en Roosenboom maken geluiden en vragen afzonderlijke toeschouwers om dat geluid te imiteren en zich eigen te maken. Zo zijn er tien mensen met tien verschillende geluiden: geknor, een brul, een langgerekt, onbestemd geluid. Die geluiden komen bij elkaar als de twee spelers een verhaal vertellen waarin het ontbreekt aan vrijwilligers. In het verhaal zijn nergens mensen die de helpende hand toesteken, dat is een verontrustend vooruitzicht. Hoe moet het dan met de hinkende egel met een gebroken poot? De dierenambulance komt niet.

De stoelen gaan aan de kant. De bezoekers, inmiddels grotendeels deelnemer, krijgen vragen voor de kiezen. Die vragen zijn soms persoonlijk, andere gaan over de samenleving en iemands kijk op de maatschappij. ‘Komt het nog goed met de wereld?’, ‘Gaat alles naar de klote?’ De sfeer is vrolijk, soms aftastend. Het publiek beweegt mee met de voorstelling: een ‘ja’ is een stap naar voren, een ‘nee’ een stap naar achteren. Vooral kinderen zijn actief, ze zetten gretig stappen naar voren. ‘Wie denkt dat dit een wedstrijd is?’ is een vraag die volgt.

Gaandeweg worden de vragen en opdrachten absurder en expressiever, dat geldt ook voor een verhaal dat wordt verteld. Dat absurde heeft deze belevingsvoorstelling nodig, het scherpt de zintuigen, maakt de ervaring interessanter. Elke handeling is op vrijwillige basis, al doet een groep ook iets met mensen. Afwijken van de norm valt meteen op, groepsdruk is een onbenoemd en moeilijk te pakken fenomeen.

Soms roept een vraag op tot nadenken, over persoonlijke beweegredenen, in bepaalde situaties. Maar het stuk is vooral vrolijk en vermakelijk, het is een aangenaam uitje met anderen die je tijdens het experiment voor het eerst ontmoet. Het kan niet uitblijven: een vrijwilliger (van het festival) wordt in het zonnetje gezet. Daar is ieders inbreng hard voor nodig.

Daniel en Roosenboom lijken zichzelf in Later word ik vrijwilliger: ze presenteren het programma, begeleiden en sturen de ervaring, ook vertellen ze soms letterlijk wat gebeurt, welke handelingen er zijn te zien. De spelers en het publiek maken de voorstelling, samen, dat gaat gevoelsmatig vanzelf.

Foto’s: Karin Jonkers