Tussen 1928 en 1954 bezoekt de Amerikaanse danseres en actrice Josephine Baker verschillende keren Nederland. Baker was een superster en de Nederlandse kranten schreven uitgebreid over haar aanwezigheid. Onderzoeker Isabelle Britto las deze berichtgeving en analyseert hoe deze krantenartikelen weergaven hoe er over Zwarte artiesten werd gedacht. (meer…)
Toen Jacques Abtey Josephine Baker voor het eerst zag droeg ze een tuinpakje, een strooien hoed en had ze een blikje slakken in haar hand. Ze dook op uit het gebladerte van haar kasteeltuin in Frankrijk, waar hij haar opzocht om haar te vragen voor Frankrijk te spioneren. Het was het jaar 1939, de Tweede Wereldoorlog was ophanden. Abtey zag niet de wereldberoemde danseres en gevierde revuester, hij zag een strijder. En dat zag hij goed want ze stemde in met zijn voorstel en ging samen met hem voor de Franse geheime dienst werken.
Over Josephine Baker kan nog veel meer verteld worden, maar dit verhaal, dat een periode van ruim vijf jaar bestrijkt, over de ontmoeting van Baker (Sabrina van Halderen) en Abtey (Sijtze van der Meer) en hun gedeelde oorlogsjaren, heeft schrijver en regisseur Manon Barthels als uitgangspunt gekozen voor de voorstelling Josephine Baker.
Er wordt in het exposé veel tijd uitgetrokken om uit te leggen hoe Baker de strijder is geworden die Abtey in haar zag. Ze groeide op als jonge vrouw in het zuiden van Amerika en was daar als elfjarig meisje getuige van de St. Louis Massacre, een raciaal bloedbad. Het besef dat mensen elkaar afslachten om hun huidskleur, vormt Josephine voor de rest van haar leven en blijkt bepalend voor de keuzes die ze maakt.
Als Baker vertelt Van Halderen erover in plechtige zinnen, terwijl ondertussen zwart-witbeelden van de slachting worden geprojecteerd en een zacht dreigende underscore van (compositie: Wolfert Brederode) klinkt. ‘Mijn huid verbood mij mens te zijn, ik lach en dans om niet te hoeven huilen’, zegt ze.

In een zacht, zwart broekpak met hoge splitten beweegt Van Halderen zich blootsvoets over het kleine, donkere toneel. Er hangen twee grote bloemen van struisvogelveren en er zijn nu en dan projecties van de echte dansende of zingende Josephine Baker. De personages vertellen om beurten in monologen hun herinneringen aan hun gedeelde oorlogsjaren, vaak zittend, soms het podium aflopend. Zacht pratend, mijmerend voor zich uit starend, terwijl de ander, en het publiek, ingespannen luistert.
Het kleine, intieme Theater Branoul in Den Haag opereert op het snijvlak van literatuur en theater. Dat geldt ook voor deze voorstelling, die daar tot begin oktober exclusief te zien is. De gekozen vorm, de personages die als hun oudere zelf terugkijken op hun gedeelde geschiedenis, maakt dat de voorstelling best gedragen en afstandelijk is. Nooit richten de personages zich rechtstreeks tot elkaar, steeds praten ze op plechtige toon over elkaar.
Op de spaarzame momenten waarop het onderlinge contact tussen de acteurs er wel is – zoals een kleine, pittige woede-uitbarsting van Josephine, of een leuke, alerte interactie met het publiek – komt de voorstelling onmiddellijk tot leven. Het doet verlangen naar meer van dat soort momenten.
De laatste twintig minuten van de voorstelling komt Van Halderen helemaal niet meer aan het woord. Josephine zit glimlachend voor zich uit te staren op een trapje dat associaties oproept met een beroemde foto van haar waar ze op eenzelfde trapje zit, berooid en uit haar eigen kasteel gezet. Abtey vertelt ondertussen hoe ze door De Gaulle geëerd en gedecoreerd wordt voor al haar heldhaftigheden voor Frankrijk. Ze betekenden veel voor elkaar, deze twee mensen en ze trokken vijf spannende jaren intensief samen op. In deze voorstelling glijden ze langs elkaar heen, als twee schaduwen in hetzelfde schimmenspel.
Foto’s: George Schwarze












