Het lijkt erop dat het Groningse Noorderzon Festival elke editie weer opnieuw aangename verrassingen in petto heeft en het buitengewoon indringende Izithukuthuku van de Zuid-Afrikaanse choreograaf Vusi Mdoyi is daar een glansrijk voorbeeld van.

Als het publiek binnenkomt, zit het tiental performers individueel of in paren te praten. Op het achtertoneel zit iemand te tikken op een ouderwetse mechanische schrijfmachine, en op een stoel daarnaast zit een performer ineengedoken. Rechts staat een performer aan een strijkplank kleding te strijken, en er liggen her en der grote teilen en plastic kratten. Een acteur-verteller begint en dan zet de (dans)voorstelling zich in beweging.

De gebruikte dansstijl is IsiPantsula, die door de choreograaf verrijkt wordt met andere dansstijlen van het palet aan dansen dat Zuid-Afrika te bieden heeft en waarvan een aantal genoemd worden in het programma. In de voorstelling komen momenten voor die verwijzen naar hoe deze dansstijl ooit een wapen was in de strijd tegen de apartheid, maar wordt dit vooral verbreed tot een illustratie van hoe het kapitalisme het lichaam disciplineert en uitputtend dwingt tot niet aflatende energie en herhalingsdwang. Deze directe politieke lading wordt expliciet onder woorden gebracht door de acteur-verteller en vooral onontkoombaar gedemonstreerd door het ensemble: de voorstelling begint met het aanbreken van een gemiddelde werkdag, maar in snelle stappen worden alle performers tot raderen in een voortdenderende machine.

In een onafgelaten stuwend, maar steeds wisselend ritme – dat voortgebracht wordt door twee slagwerkers én door de performers zelf door middel van hun stampende voeten, geslaakte kreten en de als slagwerkinstrumenten gebruikte plastic kratten – rolt de onstuitbare machine voorbij. Steeds wisselende constellaties worden gevormd. Soms dansen de vrouwen en mannen in afzonderlijke groepen, maar meestal zijn zij allemaal samen, in een virtuoze wervelwind waarbij gaandeweg uitstapjes naar acrobatische uitspattingen niet geschuwd worden.

Hier heerst duidelijk de dagelijkse hectiek van de uitgebuite en afgesloofde arbeider. Af en toe klinkt er een commando – sign here! – en bij tijd en wijle refereert de verteller aan de meest extreme vorm van die uitbuiting die tot kolonialisme en racisme heeft geleid.

De weinig, verstilde momenten, ook nodig om op adem te komen, worden vooral geleverd door de verteller die op gezette tijden ook zijn heldere mooie zangstem gebruikt. Op een bepaald moment lijkt het alsof alle performers zich op een rij geknield overgeven aan een gebed, maar door hun armgebaren wordt ook de suggestie gewekt dat ze zitten te dobbelen in de hoop hun lot te verbeteren, hetgeen dus op een ander aspect van geloof kan wijzen. Onderlinge conflicten komen ook voorbij, maar alles wordt uiteindelijk toch opgeslokt door wat de verteller herhaaldelijk benoemt als the system. In wetenschap en filosofie is vaker benadrukt hoe het kapitalisme sinds de industriële revolutie het arbeidende lichaam programmeert en deze dansvoorstelling is daar een weergaloze vertaling van. Dat de performers hierbij de kleren dragen van de voorbije generatie, onderstreept de onontkoombare continuïteit van het systeem.

De energie, discipline en razende virtuositeit van de dansen zijn kwaliteiten die staan als een huis in willekeurig welke voorstelling, maar wat deze voorstelling speciaal maakt, is de totale integere concentratie van elke performer. Hier wordt opgetreden vanuit een persoonlijke behoefte. Elke performer straalt zijn eigen, vooral vanzelfsprekende betrokkenheid uit waardoor de voorstelling vleugels krijgt: in de Spaanse flamenco-cultuur bestaat er een woord voor om die bovenmenselijke dimensie in een optreden mee te benoemen: duende. In het Groningse theater hebben deze performers op deze avond die staat bereikt.

Foto’s: Niels Knelis