Drie nieuwe makers presenteren werk in ontwikkeling tijdens Open Nights van ISH Dance Collective. Gedurende deze gevarieerde dansavond wordt een breed scala aan menselijke emoties bestreken, van een uit de onderbuik opborrelende woede tot de euforie van een dance-feest. (meer…)
Ieder jaar nodigt ISH Dance Collective drie jonge makers uit om werk te maken voor het talentontwikkelingsprogramma Open Nights. In editie 2025 levert dat een afwisselende reis op langs de straten van Ivoorkust, een duistere sciencefiction-locatie en een serene oever op de Filipijnen.
Het tempo ligt hoog in Roukaskass van Eva Scherpenisse. Het ene moment kijken we naar een Afro-futuristisch tafereel met in glitterkostuums gehulde dansers. Even later verandert de zaal in een levendig dorpsplein met tomatenverkopers. Uit een enorme dot rookmachinerook komt een katachtig wezen tevoorschijn geslopen. Er zijn kort maar krachtige intermezzo’s waarbij iedere danser in het spotlicht het gesputter van een ritmisch ontsporende drumcomputer volgt, met spatsynchrone moves. We zien elementen uit hiphop, we zien voetenwerk uit verschillende Afrikaanse danstradities en we zien acrobatische toeren. Twee dansers houden een voetbal-t-shirt vast en een derde trekt het aan door er met een salto in te duiken. Samen met vijf Ivoriaanse dansers raast choreograaf Eva Scherpenisse over het podium.

In mijn recensentenschriftje noteerde ik: ‘overdaad ideeën, maar niets uitgewerkt, samenhang mist nog, zou langere voorstelling kunnen zijn’. Daarmee bleek ik er niet ver naast te zitten, want na afloop vertelde de choreograaf dat Roukaskass in feite een bloemlezing is uit een al bestaande show die een uur duurt. Een fascinatie voor Afrikaanse dans deed haar belanden in Ivoorkust, waar ze een dansschool oprichtte waar inmiddels 15 professionele dansers trainen en 200 kinderen gratis danslessen volgen. Met Roukaskass leveren Scherpenisse en haar dansers een ietwat rommelig, maar zeer energiek visitekaartje af.
Totaal anders, maar dan ook echt totaal anders, is de sfeer in Metamorphosis: The art of Dying van Keshaw Manna. In nagalm badende synthesizerklanken en een uitgebreid lichtplan zetten hier de toon. Onder verwijzing naar Kafka, Nolan en Zimmer – waarbij ik aanneem dat we het hebben over schrijver Franz, cineast Christopher en filmcomponist Hans – zegt Manna existentiële veranderingen te willen vertalen in krachtige hiphop en breakbewegingen.

Nerveus door de ruimte priemende lichtbundels geven de indruk dat we ons in de buik van een ruimteschip of in een grot op een duistere planeet bevinden. Dat gevoel wordt versterkt door klikkende geluiden die we kennen van de monsters in Alien en door oriëntalistische melodieën die – net als de nomadische kostumering – de sfeer oproepen van het sciencefictionepos Dune. Zijn eigen choreografie dansend laat Manna zich kennen als een atletische beweger. Met dramatische poses straalt hij een diepe persoonlijke betrokkenheid uit. De getergde motoriek waarmee hij verschillende fasen van een metamorfose uitbeeldt verdrinkt helaas in de muzikale en visuele bombast.
Het programma, dat overigens plezierig nonchalant aan elkaar wordt gepraat door host Loraine Pengel, eindigt met Rooted/Pinanggagalingan. Wennah Wilkers en Sandra Hilaerts – beiden geboren op de Filipijnen en opgegroeid in de Benelux – onderzoeken daarin hun Aziatische wortels. Roerend in een wastobbe van zink maakt percussionist Jack Julian Dijkhuizen het geluid van kabbelend water. Gekleed in Filipijnse kostuums zetten Wilkers en Hilaerts een sereen tafereel neer van jonge vrouwen die zich wassen aan een oever. Hun bewegingen gaan over in een dans vol gracieuze armbewegingen, in een esthetiek die veel raakvlakken heeft met Indonesische dans. Dat geldt ook voor de gamelaninstrumenten die Dijkhuizen inzet in zijn compositie. Geen wonder, vertelt choreograaf Wilkers achteraf, aangezien Indonesië en de Filipijnen buren zijn.

De westerse component dient zich aan in de vorm van – helaas wat obligate – housebeats. Het is mooi hoe de dansers de vloeiende Filipijnse dans verweven met elementen uit hiphop en vogue. De vermenging van beats met gamelan blijft daar helaas een beetje bij achter, dat zou wel wat strakker mogen. De percussionist wordt bij de choreografie betrokken in een fijne demonstratie van tinikling: een traditionele volksdans waarbij een danser zich tussen twee bamboestokken beweegt, die ritmisch tegen elkaar worden geslagen door de andere deelnemers. Aan het eind van de voorstelling worden in de Filipijnen gemaakte jeugdfoto’s geprojecteerd op een van de lakens die boven het toneel aan een waslijn hangen. Het geeft een persoonlijke toets aan een innemende voorstelling, die nog wel wat mag worden bijgeschaafd.
Foto’s: Michel Schnater













