Funny Bergman begint haar solovoorstelling met een lange stilte, nogal ongebruikelijk voor een show op De Parade. Daarna zegt ze: ‘Ik ben er. En jullie zijn er ook.’ Vanaf dan is het gedaan met de rust, want Funny Bergman jast er in een half uur tijd, in een ongenadig tempo en stuiterend van energie, haar conference Ik ben Funny doorheen.

Geblondeerd haar, Thai Boxing-sportbroek, tatoeages, felle oogopslag: dat is Funny Bergman. Haar performance is opgebouwd met een vrij bizar uitgangspunt: ze raakte ooit bekneld in een mannentoilet. Vanuit die benarde positie slingert ze haar gedachten over wie en wat ze is, en de hele identiteitsproblematiek die daarachter zit, over het kleine zaaltje uit. Haar publiek zweept ze intussen op om in spreekkoren met haar mee toe doen. Dat dat nergens gênant wordt, is te danken aan haar talent, en aan wat ze te vertellen heeft.

In kort bestek: Funny Bergman was een druk meisje dat het liefst meedeed met de jongens. Of ze ook een jongetje was, wilden haar vriendjes weten, dus ze moest haar vijfjarige piemeltje laten zien. Die had ze niet, maar ze had wel een oplossing. Later lachte ze mee met de foute grappen van de jongens, en ze riepen in koor ‘lesbo’s zijn goor’.

Het zijn omtrekkende bewegingen om uiteindelijk uit te komen bij een fascinerende vorm van bekentenistheater, met een hilarische verwijzing naar het Claudia de Breij-syndroom. Dat Funny zelf lesbisch is, zullen we weten, en hoe. Ik ben Funny is brutale stand-up comedy, met hier en daar een gevoelig tintje. Onversneden persoonlijk ook.

Op het podium staan twee gitaren, waarvan er op zeker moment eentje gebruikt wordt, voor hooguit twee aanslagen. Vervreemding dus. In de credits wordt Donny Ronny als ‘voogd’ van deze productie genoemd. Dat verbaast dan weer helemaal niet.

Foto: Casper Koster