Zijn we in een verlaten theater, een hoerenclub, een havenkroeg of een oud hotel? In elk geval in een vunzige, rokerige ruimte waar verlopen hoeren, hoerenlopers en pooiers elkaar het leven zuur maken. En ook al zitten we in het moderne Bimhuis, er hangt een sfeer van verschaalde alcohol, vergane glorie en verloren dromen. Ich habe den Dreigroschenblues, het nieuwste programma van Sven Ratzke, drijft op de jaren ’20 en ’30 muziek van Kurt Weill. Deze van oorsprong Duitse componist schreef klassiekers zoals Surabaja Johnny, Seeräuber Jenny, Youkali en de Dreigroschenoper samen met Bertolt Brecht.

Ratzke husselde voor zijn driestuiversblues enkele losse Weill-liederen door elkaar en maakte er een eigen nachtclubshow van. Daarvoor heeft de charmante, androgyne zanger en performer versterking gezocht bij een wel zeer bijzondere sparringpartner: sopraan Claron McFadden. Samen met een ijzersterke vierkoppige band onder leiding van Charly Zastrau presenteren zij een smeuïge avond, vol virtuositeit en verrassingen.

‘”Ooh, jij bent bijna net zo bijzonder als ik!’” Ja, als een narcist verliefd op je wordt, dan voel je je pas echt geweldig.’ Ratzke paradeert rond op zijn lange benen en kletst in Wim Sonneveldstijl een verhaal aan elkaar. De pointe ervan doet eigenlijk niet ter zake, zolang de liedjes maar enigszins met elkaar worden verbonden. Van de dramatische lijn moet deze avond het dan ook niet hebben, van de afzonderlijke liederen des te meer. Ratzke zwiert over het podium en schmiert met de vette teksten van Brecht. ‘Erst kommt das Ficken, dann das Bad!’ roept hij en het publiek lacht beschaamd. Zijn stem is aangenaam veelzijdig en expressief, evenals zijn podiumaanwezigheid.

Maar hoe goed Ratzke ook is, hij is kan niet op tegen de magistrale Claron McFadden. De wereldberoemde operazangeres werpt zich vanaf het eerste lied vol overgave op haar rol van gehaaide verleidster. Ze blijkt over een enorm repertoire aan klanken te beschikken, van blues via opera naar jazz. Loepzuiver wanneer nodig, schurend wanneer mogelijk. Vooral haar mimiek is aanstekelijk en schaamteloos dweilt ze over de vloer. Het is een genot om naar haar te kijken en te luisteren, met als magistraal hoogtepunt van de avond Lucy’s Aria uit de Dreigroschenoper met de theremin als tweede stem. Dit bizarre elektronische instrument – dat voornamelijk lijkt te bestaan uit twee antennes – wordt angstaanjagend zuiver bespeeld door multi-instumentaliste Fay Lovsky. McFadden en Lovsky tonen zowel in toneelspel als in muziek de kern van jaloezie. Een zinderend moment in deze verrassende en sprankelende voorstelling.