De airco zoemt gelukkig nog in de hotelkamer waar een man en een vrouw zich hebben verschanst, terwijl er buiten een ramp is gebeurd. Het lekwater van de airco is het enige dat er nog te drinken is. De man klimt steeds op een trap om wat water af te tappen.

En verder is het de tijd doden, en wachten. Wachten op wat? Op Godot wellicht? Magne van den Bergs nieuwe toneeltekst Hoopje mens is duidelijk geïnspireerd door Becketts absurdistische noodlotsdrama Wachten op Godot. Ook hier twee mensen die praten en praten om hun angst voor het ongewisse einde te beteugelen. En een indringer, in dit geval een bebloed meisje dat de boel een beetje komt ontregelen.

Theatergroep Echo speelt Hoopje mens in regie van Bram Coopmans in een afgetakeld hoteldecor (scenografie: Noa Helder). Overal ligt rommel, op het onopgemaakte bed uitgepakte koffers, kleding, en make-up. En het is er warm, dat is duidelijk. Als de personages naar buiten kijken, zien ze de omvang van de catastrofe: de rivier is opgedroogd, de autoweg ingestort, autowrakken liggen rijen dik over elkaar heen, de hemel is fel verlicht. Hier moet een kernramp hebben plaatsgevonden.

De mensheid aan het eind van zijn houdbaarheidsdatum – dat is de wereld die hier wordt geschetst. Anna Schoen en Titus Boonstra spelen de hotelgasten die elkaar eerder die dag bij het ontbijt hebben ontmoet, toen nog zorgeloos. Fiep Mulderije is het jonge meisje. Zij krijgt er op een gegeven moment behoorlijk van langs, want de man blijkt ook nog eens opgefokt en gewelddadig. Of is hun vechtpartij toch een morbide spel? Ook de abstracte dans van de man en het voortdurende gekrab aan zijn jeukende huid wijzen op een angstneurose.

‘Zijn we te gelukkig geweest? Ergens zijn we de mist ingegaan’, zegt de vrouw van wie we alleen maar te weten komen dat ze naar deze stad is gekomen om een weekendje te gaan winkelen. Met die zinnetjes wordt gesuggereerd dat de mensheid deze ondergang aan zichzelf te danken heeft, en dat kan inderdaad kloppen.

De acteurs brengen in anderhalf uur genoeg spanning met zich mee om de onontkoombare afloop voelbaar te maken. Aandoenlijk is hoe Schoen met visioenen van veldbloemen en met haar make-upspulletjes nog iets van hoop probeert te houden. Maar haar grotesk geschminkte gezicht is doodeng.

Als aan het eind de man en het meisje de kamer toch verlaten, de verzengende hitte in, blijft de vrouw alleen achter. Het gekke is dat dat geen enkele emotie of diepere gedachte oproept. Daarvoor is dit Hoopje mens te ongrijpbaar.

Foto’s: Sanne Peper