Schrijvers plukken verhalen niet zomaar uit de lucht, zegt de verteller aan het begin van Hoe de beide Ivans ruzie kregen (8+), ze letten goed op. De ruzie begint met een geweer. De ene Ivan wil het hebben, maar de andere Ivan wil het niet geven. Voor het geval dat er oorlog uitbreekt, zegt hij onder andere. Zijn tegenstander wuift het weg: er komt helemaal geen oorlog. ‘Jawel’, hoor ik een kind zachtjes achter me zeggen.

Ruzie om een geweer, een vriendschap die eronder sneuvelt en een dorp dat eronder lijdt. Voor hun eerste jeugdtheatervoorstelling brengt Het Tuintheater een bewerking van het satirische verhaal Hoe Ivan Ivanovitsj ruzie kreeg met Ivan Nikiforovitsj (1834) van de Russische schrijver Nikolaj Gogol, dat zich origineel afspeelt in een Oekraïens stadje. In deze versie is het een sprookje over ‘een dorp hier niet heel ver vandaan’, opgevoerd omringd door Groningse weilanden.

De beide Ivans zijn elkaars buur en boezemvriend, maar ook elkaars tegenpool. Ivan 1 (Julia van der Vlugt) is zeer sociaal, welbespraakt en doordacht, terwijl Ivan 2 (Jurriën Remkes) liever thuis zit, geen blad voor de mond neemt en impulsief is. De twee kibbelen dan ook regelmatig, maar met een goede grap is alles al snel vergeten volgens de verteller (Lowie van Oers). Tot die ene noodlottige dag.

Van Oers vertelt het verhaal niet alleen – af en toe schakelt hij hulp in van iemand uit het publiek om edelfigurant te zijn. Die krijgt dan een briefje met de opdracht om de dikgedrukte tekst te spelen. Dit wordt aan het begin van de voorstelling gedemonstreerd met een dialoog waarin het lijkt alsof deze toeschouwer daar totaal geen zin in heeft, maar in werkelijkheid meewerkt. Naast de rol van verteller speelt Van Oers ook enkele kleine rollen in het verhaal, zoals de rechter en de politieagent. Op andere momenten staat hij als scheidsrechter, in zijn donkerblauw met zwart gestreepte sporttenue, tussen de twee buren om ze uit elkaar te houden. Boven alles is hij vooral een bezorgde dorpeling.

Van der Vlugt en Remkes, de oprichters van het gezelschap, spelen groots en energiek, in volledige overgave aan hun personages. Deze slapstick-speelstijl leent zich goed aan de absurde verhaallijn, die met boze blikken en hysterische stemmen tot leven wordt gebracht, bijvoorbeeld in een scène waarin buurvrouw Ivan naar de rechter stapt. Boven op een ladder rolt zij haar formele klachtbrief uit, die lang genoeg is om de grond te raken. Met een overdreven beleefde stem leest ze de overdreven eloquente woorden voor aan de rechter om hem ervan te overtuigen dat haar buurman haar dodelijk heeft beledigd. Wanneer vervolgens de man zelf langs komt met een ter plekke verzonnen verhaal dat zijn schriftelijke klacht is opgegeten door het varken van de buurvrouw, dat later wordt gearresteerd door de politie, lijkt verzoening steeds verder weg te raken.

De escalerende ruzie is vormgegeven als een heftig spelletje badminton. Op het geluid van een trommel poseren de twee als soldaten en houden ze hun rackets vast als geweren. Roekeloos rennen en springen ze over het grasveld. Zo wordt de jarenlange ruzie sterk in beeld gebracht: Met elke slag klinkt een knal, als een bom inslaat, die beide Ivans letterlijk en figuurlijk verder uit elkaar drijft.

De acteurs zijn daarbij niet bang om dichtbij te komen, integendeel: er worden handen geschud, op de banken geklommen en mensen mee het podium op gesleept. Regisseur Stephen Liebman creëerde een intieme sfeer, waardoor het publiek niet enkel luistert naar het verhaal, maar er deel van wordt: samen vormen de spelers en het publiek het dorp.

Het absurdistische sprookje is geen blauwdruk voor verzoening. Of de beide Ivans de strijdbijl begraven, wordt in het midden gelaten. Toch voelt het einde eerder hoopvol dan verdrietig. Ondanks alle moeite van de dorpelingen om de twee bij elkaar te brengen, gaan Ivan en Ivan aan het einde via verschillende routes naar hun naastgelegen huizen. Wellicht zullen de twee buren nooit meer de beste vrienden worden die ze ooit waren, maar een ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ is niet nodig – en dat is misschien wel het mooiste aan de voorstelling. Soms gaan dingen voorbij, en dat is oké. Dan ontstaat er ruimte voor iets anders, of iets nieuws. Ze lopen met de rug recht – alsof de wrok die ze jaren vasthielden eindelijk van hun schouders is gevallen.

Foto’s: Isabel van der Vlugt