Na een op zich geestige mismatch in de Biblebelt (verwisseling van zalen) kreeg Kirsten van Teijn in De Kleine Komedie het meest geschikte premièrepubliek denkbaar. Dat kon helemaal meegaan in het verhaal over de gevolgen van een niet alledaagse liefdesrelatie. (meer…)
In High Class Bitch richt Daniël Arends zijn pijlen op het collectief, dat wat hem betreft bestaat uit met zichzelf geobsedeerde, inwisselbare, individualistische individuen. Op wonderlijke manier buigt de 45-jarige cabaretier zijn diepe afkeer voor zo’n beetje alles om hem heen om tot een ontroerende liefdesverklaring aan de mens die hem omringt: zoals sneeuwvlokjes alleen kunnen bestaan bij de gratie van de sneeuw eromheen, en elkaar dus nodig hebben.
Die sneeuwvlokjes dwarrelen gedurende de voorstelling voortdurend neer op het achtertoneel. Ondertussen vertelt Arends over de Quote-journalist die hem wilde interviewen over zijn vermogen of zijn irritaties in Amsterdam, tussen opzichtige nep-zzp’ers in Coffee Company’s, verhalen die de ‘verstoorde relatie’ met geld en welvaart in het westen illustreren.
Maar hij vertelt ook anekdotes over zijn vriend Sammy, die uit hetzelfde weeshuis uit Jakarta komt als Arends, met dat verschil dat Sammy niet werd geadopteerd. In hem ziet Arends het leven dat hij ook had kunnen leven, als de kaarten voor hem net anders geschud waren.
Het is een sterke, contrastrijke kapstok voor een boeiende exploratie naar het individu en het collectief, naar wat rijkdom en wezenlijk contact eigenlijk behelzen. Tegenover het op geld en status gerichte westerse individualisme, plaatst Arends de gemeenschapszin van zijn vriend. Sammy vertelt: als zij in de kampong geen eten hebben is dat geen probleem, dan eten ze bij de buren. Als de buren geen eten hebben, doen ze dat bij hen.
Mooi is hoe Arends zelfs sarcasme als westers, geprivilegieerd stijlmiddel ontmaskert: iets zeggen terwijl je het tegenovergestelde bedoelt, doe je echt alleen maar als je zoveel hebt dat je zelfs niet meer weet wat je aan moet met de woorden die je tot je beschikking hebt. Lange tijd probeert zijn vriend in Indonesië dat sarcasme tevergeefs onder de knie te krijgen, maar na een weekje in Nederland begrijpt hij het concept direct.
Arends is haarscherp en vilein, maar High Class Bitch (dat hij regelmatig speelt in een doublebill-constructie met zijn andere voorstelling Had ik maar nooit zo aardig gedaan) zit ook barstensvol originele blikken op zijn omgeving, waar hij naar eigen zeggen banger voor is dan andersom. Het spanningsveld met zijn publiek levert in zijn werk altijd zeer boeiend materiaal op. Arends constateert: de meeste mensen met een slang in een terrarium zijn bang voor slangen – een metafoor waarin zowel Arends als het publiek die slang kan zijn, want in de kern is iedereen als de dood voor de ander, en zijn we allemaal als de dood om alleen in een terrarium achter te blijven.
Hij is onvoorwaardelijk onvriendelijk, stoort zich aan iedereen op het hele spectrum, maar dat is echt alleen maar omdat hij van de ander houdt – ongeacht zwaktes, tekortkomingen, inherente clichés, lafhartige nietszeggendheid. Hij houdt van de ander, omdat die ander er is, en hij dus niet alleen in zijn terrarium de tijd verduurt.
Daniël Arends onderscheidt aandacht en liefde: het eerste kun je geven en krijgen, het is een transactie; het tweede kun je delen. Arends is niet geïnteresseerd in aandacht, maar wel degelijk in liefde. We staan er allemaal alleen voor, en in die angstige wetenschap voelt Arends zich verbonden, daarin vormen de losse sneeuwvlokjes een woedende storm.
Foto: Scala Photography













