Opera’s ontdoen van hun franje. Dat was het streven waarmee Gluck zijn reformopera’s componeerde toen de opera seria niet langer verheven ideeën uitdroeg, maar naar zijn mening alleen nog maar diende als etalage voor vocale ijdeltuiterij. (meer…)
‘Zo, nou gaan we het programmaboek lezen om te begrijpen wat we gezien hebben’, zegt een bezoeker tegen zijn buurvrouw, als het applaus in het Wilminktheater is uitgeklonken. Onbegrijpelijk is deze reactie niet, want het drama van het sluwe vosje dat zich verzet tegen de onderwerping door de mens en dit uiteindelijk met haar leven moet bekopen, komt in de voorstelling niet echt uit de verf. Weliswaar jagen boswachter en stroper het vosje voortdurend op, maar dat de mensen- en dierenwereld ‘lijnrecht tegenover elkaar’ zouden staan wordt niet invoelbaar gemaakt; veeleer leven zij langs elkaar heen.
Het door Jibbe Willems in het Nederlands vertaalde libretto van Janáčeks opera uit 1924 volgt het leven van Vosje Puntoor. Gevangen genomen door een boswachter wordt zij door diens vrouw en kinderen net zo behandeld als huishond Lapak. Maar het beestje laat zich niet temmen, weet zich te bevrijden en bijt hun haan en kippen dood. Terug in het bos trouwt ze met Goudhaar de Steppenvos, met wie ze vele welpjes krijgt. Uiteindelijk schiet een stroper haar dood, waarna de Boswachter droomt dat hij speelt met het sluwe vosje. Hij zweert nooit meer te zullen jagen: ‘Dit geweer zal geen dood meer zaaien in dit bos.’

Janáček schreef er een zinderende partituur bij, waarin groots uitgesponnen orkestpartijen en martiaal kopergeschal ruimhartig worden afgewisseld met verstilde passages, met stijgende fluitmotiefjes die het vosje representeren. Als Puntoor de Boswachter aan het slot van het eerste bedrijf getergd in zijn been bijt, valt het orkest abrupt stil, als houdt de wereld haar adem in. Wanneer zij de haan en kippen doodt, klinken jachtige strijkers en schrille fluitjes. En als zij de Das uit diens hol verdrijft, horen we cowboyachtige hoempa; bij het huwelijk van Puntoor en Goudhaar klinkt vrolijke Moravische dansmuziek.
De immense kleurenrijkdom van Janáčeks partituur komt in de uitvoering van dirigent Pieter-Jelle de Boer en Phion niet altijd volledig tot zijn recht. De klank van het orkest is wat dunnetjes, het spel soms rommelig. Prachtig zijn daarentegen de woordeloos gezongen passages van Concensus Vocalis, die op de achtergrond weeklagen over het tragische lot van het sluwe vosje. Ook weten zij in het tweede bedrijf perfect het gekakel van kippen te verklanken. Aandoenlijk zijn de kinderen van het Kleine Vosjes Koor, die in het derde bedrijf vol overgave zingen hoe ze een haasje vangen en opeten.
De sopraan Laetitia Gerards is een fenomenale Vosje Puntoor, die met haar watervlugge bewegingen en heldere stem haar belagers steeds te slim af is – tot het fatale schot van de stroper. In haar bespiegeling ‘Ik ben niet echt mooi’ weet ze met de haast pucciniaans vloeiende melodielijnen die Janáček haar in de mond legt, zelfs een snaar te raken. Gerards vindt een geweldige evenknie in de mezzosopraan Polly Leech, die al even ingeleefd haar geliefde Goudhaar vertolkt.

Stroper Harašta krijgt een mooi robuuste invulling van de bas-bariton Huub Claassens, die ook tekent voor de hond Lapak. De bas Jasper Leever is een geloofwaardige boswachter, terwijl de tenor Mark Omvlee een heerlijk kwezelige schoolmeester neerzet. De bariton Martijn Sanders speelt met verve de priester die almaar zedelijke spreuken uit zijn bijbel citeert, maar ondertussen ooit een homoseksuele relatie onderhield. – Een van de woke grapjes die Willems in zijn libretto smokkelde. Eerder al trachtte het vosje de kippen op te zetten tegen de haan: ‘Sisterhood! Weg met de Oude Orde!’
Visueel valt er veel te genieten. Het decor (Sebastian Hannak) van bomen die uit het plafond neerdalen en dankzij een inventieve belichting (Alex Brok) verschillende tijds- en gemoedstoestanden oproepen is sprookjesachtig. Daarbij ontwierp Sarah Mittenbühler bijzonder fraaie kostuums. Zoals de knalgroene kikker (Channa Malkin), wiens bek levensecht open- en dichtklapt; de Das (Martijn Sanders), die imponeert met zijn ruim vallende vacht en zwarte streep over zijn kop, of de Sprinkhaan (Kris Ng) die je met zijn overmaatse voelsprieten de stuipen op het lijf jaagt.
Onovertroffen zijn de kippen, die met hun rode schoentjes, wit thulen verenkleed en rode lellen zo uit Janáčeks eigen ren zouden kunnen zijn ontsnapt, mede dankzij de schokkerige bewegingen die Virág Dezsö hen laat uitvoeren. Schitterend zijn ook de hoepelrokachtige uitdossingen van de vrouw van de Boswachter (Eva Kroon) en de herbergierster (naam niet vermeld), die hen het lopen bijna geheel beletten. – Wellicht bedoeld als subtiele verwijzing naar hun onvrije positie in een door mannen gedomineerde wereld. Die dragen allen een grotere of kleinere knot in hun haar en net iets te ruim vallende pakken.
Het publiek beloonde het artistieke team dankbaar voor deze oogstrelende productie, die in de komende uitvoeringen vast ook muzikaal aan kleur en diepte zal winnen.
Foto’s: Marco Borggreve












