In zijn nieuwe voorstelling Het goddelijke lichaam is de cabaretier het tragische schoolvoorbeeld van een komiek van zijn generatie.
Je zou het ‘sentimentele misantropie’ kunnen noemen, de stijl waarvan André Manuel zijn handelsmerk heeft gemaakt. In zijn shows maakt hij over alles en iedereen de hardste grappen, om vervolgens plots een zachtmoedig liedje te zingen of (in zijn vorige show De zieke geest) een oprechte ode aan Salman Rushdie of Henny Vrienten te brengen. Manuel is eigenlijk zo’n oom die bijna iedereen in Nederland wel heeft: hard lachend om zijn eigen foute grappen, in volle overtuiging dat zijn analyse van de wereld het beluisteren waard is, en bijna in tranen als hij laat op de avond golden oldies op zijn gitaar tokkelt. Met natuurlijk wel een belangrijk verschil: Manuels grappen getuigen over het algemeen ten minste nog van vakmanschap.

In zijn nieuwe voorstelling Het goddelijke lichaam brengt Manuel van begin tot eind zijn beproefde recept. In het begin van de show lijkt de cabaretier een sterke inhoudelijke lijn in te zetten: hij stelt zich de vraag, gezien zijn eigen lidmaatschap van de culturele elite, hoe hij meer een dienaar van het volk zou kunnen zijn. Hij stapt in de schoenen van de rechtse keizer en dat bevalt hem eigenlijk wel: als boze burger is hij namelijk niet langer het doelwit van doodsbedreigingen, maar mag hij ze zelf versturen – veel leuker. En van xenofobie dacht hij lange tijd ‘dat kan toch niet!’, maar als rechtse rakker komt hij erachter dat het best kan – als je maar wil! Bovendien bestaan er geen racisten, maar alleen tot racist gemaakten.
Het is geïnspireerde satire – maar wie van Manuel verwacht dat hij de lijn volledig uitwerkt komt bedrogen uit. In Het goddelijke lichaam blijft de theatermaker steeds maar kort bij een invalshoek stilstaan, alvorens alweer voor te denderen naar de volgende. Waar je bij het begin nog kan denken dat Manuel een goed doortimmerde show zal afleveren waarin een basisgedachte steeds verder wordt uitgediept, kom je er al snel achter dat het de komiek puur en alleen om goede grappen te doen is – en af en toe een vleugje sentiment of een scheutje moraal.
Dat is overigens niet onaangenaam. Manuel – zo herhaalt hij zelf meermaals – heeft 35 jaar ervaring als cabaretier, en hij weet hoe hij een goede grap in elkaar steekt. Naast goede losse vondsten komt hij met enkele ijzersterk opgebouwde anekdotes, zoals een hilarisch verhaal waarin zijn Twentse buurvrouw een vibrator en een defibrillator door elkaar blijkt te hebben gehaald.
Tegelijkertijd slaat hij in de anderhalf uur lange show de plank ook regelmatig mis. Een fantasie over een deepfakevideo met Caroline van der Plas moet volgens hem een satire op haar rol als voorvechter van de ‘vleesverwerkende industrie’ voorstellen, maar bestaat voor vijftig procent uit ‘grappen’ over haar uiterlijk. En een terzijde over ‘mensen die zeuren over vroeger’ voelt vooral hypocriet aan als Manuel zelf met het vaak herhaalde refrein komt dat ‘dit podium nog de enige plek is waar je alles mag zeggen’. Je hoeft Twitter maar te openen om te kunnen constateren dat Manuels manier van communiceren – weliswaar minder intelligent uitgevoerd – alomtegenwoordig is, en geen strobreed in de weg wordt gelegd.
Uiteindelijk kunnen we Het goddelijke lichaam vooral als een tragedie bekijken. We volgen een cabaretier die geen enkel nieuw idee meer heeft, en hetzelfde trucje blijft afdraaien voor een publiek dat met hem ouder is geworden. Collega Patrick van den Hanenberg noemde hem twee jaar geleden al ‘een van de laatste diehard cabaretextremisten’ en dat is treffend – maar wat betekent dat extremisme eigenlijk nog? Is er nog iemand in de zaal die zich door Manuels misogyne, antisemitische en islamofobe grappen laat choqueren, in een tijd waarin al die zaken onbeschaamd onderdeel zijn van het reguliere maatschappelijke debat? Is er nog iemand die door zijn satire daadwerkelijk aan het denken wordt gezet? Is er nog iemand die oprecht geraakt wordt door zijn gevoelige liedjes over John Lennon of over hoe mooi en aantrekkelijk vrouwen wel niet zijn?
Manuel beweert dat hij op het podium leeft en daar ook zal sterven, maar zijn angst voor irrelevantie wordt bij de première pijnlijk voelbaar. Hij wijdt veel grappen aan het feit dat de zaal bij de première niet vol is en voor 90 procent uit zestigplussers bestaat, en raakt zichtbaar uit evenwicht als twee vrouwen halverwege de voorstelling opstaan en vertrekken (‘het zullen wel joden zijn’, geeft hij als verklaring). Daarnaast vindt hij het nodig om zijn theatervorm omstandig aan het publiek uit te leggen (‘het is satire hè? Het is allemaal gelogen’).
Zo kan via een omweg toch iedereen iets uit Het goddelijke lichaam halen: Manuels fans krijgen meer van hetzelfde, en kijkers die niet (meer) meegaan in wat hij aanbiedt krijgen een boeiende museumervaring: een bijna perfect schoolvoorbeeld van een cabaretstroming die zijn beste tijd heeft gehad.
Foto’s: Roger Cremers
Nou mooie voorstelling, het is maar goed dat het cabaret is, ook ik genoot maar enkele malen raakte hij mij ( ik als zeer zwaar copd patiënt) kon die grappen eigenlijk niet waarderen.
Manuel begrijpt niet, dat je humor maakt met mensen. En dat mensen afzeiken, die niet in zijn linkse hoek zitten, geen humor is. Sex verkoopt, maar dit zijn geen humoristische sexgrappen. Een avondje polariseren is niet leuk. We moeten samen de maatschappij maken en ons niet afzetten tegen een andere politieke mening. Daar is niemand mee geholpen en voor een politiek engagement luister ik wel naar een uitzending voor politieke partijen. Dit is lach of ik schiet humor. Dus niet leuk!