In een avondvullend programma dat in verschillende theaters door het land te zien is, lanceert Rudolphi Producties met Het debuut al tien jaar lang werk van een of meerdere pas-afgestudeerde theatermakers. We leerden er spannende makers zoals La Isla Bonita, Tarik Moree, Tim Olivier Somer en Caro Derkx kennen, die door middel van een kleine tournee door Nederland vlieguren konden maken en zich konden presenteren aan onbekend vlakkevloerpubliek.

Met het opheffen van het ITS Festival worden initiatieven als Het debuut nóg belangrijker. Behalve de drie korte theatervoorstelling die hieronder aan bod komen, maakt de korte video Actually… let’s forget about me van Charlotte Gillain onderdeel uit van de selectie – haar werk is tijdens de tournee in sommige theaters in de foyer te zien, en bezoekers kunnen het ook thuis terugkijken.

In deze tiende editie reflecteren jonge makers op eigenheid, het individu en de massa. Hoe val je op, hoe verdwijn je, welk antwoord bied je op aannames en ideeën over wat je maakt wie je bent? Spannende thema’s die in de theaterzaal wisselend worden behandeld.

Zo vinden regisseur Eva van Kleef en actrice Maria Marbus, afstudeerders aan respectievelijk de regie- en de acteursopleiding van de Toneelacademie Maastricht, weinig spannende perspectieven in hun blik op de mythe van Icarus. In Flying High reflecteren vier jarennegentigjongeren in losse flodders op opvallen en verdwijnen, vaak in een nogal geagiteerd woordduel. Echt op de spits wordt het niet gedreven, de acteurs (behalve Marbus zijn dat Bob Ott, Jelmer de Groot en Valentijn de Jonge) vallen elkaar categorisch in de rede voordat de scène echt pijnlijk, kwetsbaar of origineel wordt.

De spelers zijn prettig schaamteloos en leggen op momenten een droogkomisch gevoel voor humor aan de dag in de terloopse reflecties op hun millenialbestaan, waarin joggen in het Vondelpark ‘tussen de locals’ en cadeauruilspellen met Sinterklaas symbool staan voor een middelmatigheid die enerzijds prettig, anderzijds benauwend is. Maar de tekst is te uitwaaierend en blijft weg bij het echte gevaar, waardoor diffuus wordt wat de makers nu eigenlijk te zeggen hebben over hoogmoed en de daaraan inherente val.

De avond opende met de ultrakorte bijna-solo van Aleksej Ovsiannikov, afstudeerder aan de Amsterdamse mimeopleiding. In het duistere I Reduce To Nothing wordt hij voortdurend gesaboteerd door de buitenwereld – gepersonifieerd door een doortastende theatertechnicus, die eerst de microfoon bij Ovsiannikov vandaan haalt, maar uiteindelijk zelfs de stoel waarop hij achter zijn piano speelt, rustig en zorgvuldig demonteert. Ovsiannikov speelt ondertussen onverstoorbaar door, als de eerste stoelpoot wordt losgeschroefd, de tweede, derde…

Uiteindelijk verdwijnt hij in een enorme berg stoelen. Het is een mooi beeld, zoals deze performance vol mooie beelden zit. Maar de uitgerekte en trage theatertaal keert zich ook tegen hem. De esthetiek van Ovsiannikov is mooi maar breekt nergens uit zijn eigen kaders. Daarin valt nog een spannend gebied te ontginnen.

In de woordloze, fysieke dansperformance SKIN van Jim Buskens en Manouk Pluis, respectievelijk afstudeerders aan de performance- en de acteursopleiding van de Toneelacademie Maastricht, proberen de twee performers hun lijven samen te laten smelten tot één lichaam. De voorstelling opent met een repetitieve reeks energieke solo’s waarin ze beiden, geanonimiseerd door nauwsluitende hoodies, voortdurend (een variant van) dezelfde korte dansroutine uitvoeren. Hoe meer kleren er uit gaan, hoe meer nadruk er komt te liggen op de onderlinge verschillen.

In het tweede, verstilde deel doen ze pogingen die verschillen weer te slechten en samen één te worden. Het levert prachtige beelden op, waarin op momenten het werk van Dimitris Papaioannou echoot, wanneer ze samen één in elkaar verstrengeld lijf vormen. De performance is spannend en intiem, en boogt op een trefzekere beeldtaal die blijft fascineren.

Foto I Reduce To Nothing: Bart Grietens