‘Het idee dat barbaren opnieuw aan de poort staan, klaar om de Europese geschiedenis uit te wissen, lijkt, hoe absurd ook, helaas weer op te leven.’ Die passage op de website van het O. Festival viel me op voor aanvang van Hannibal, een interdisciplinaire muziektheatervoorstelling van regisseurs Michaël de Cock en Junior Mthombeni over de welbekende krijgsheer. Hoezo ‘weer opleven’?, vraag ik me af. Ik kan me geen tijd herinneren waarin ik niet ben gewaarschuwd voor boemannen die een bedreiging voor Europa zouden vormen. Dat idee absurd noemen is te makkelijk. Het suggereert dat wij als ‘verlichte’ theaterbezoekers boven die framing staan, maar we zijn er allemaal door beïnvloed.

We zijn opgevoed om bij ‘Hannibal’ te denken aan een bloeddorstige Noord-Afrikaanse tiran of een sociopaat (denk aan Hannibal Lecter), terwijl even oorlogszuchtige Romeinen op voetstukken in musea worden gezet. De Cock en Mthombeni corrigeren dat beeld door Hannibal Barki (Moha Amazian) te ensceneren als de generaal van Carthago, die tijdens de Punische Oorlogen vocht tegen het Romeinse Rijk. In Rome ontsteekt generaal Scipio (Marios Bellas) in een speech die bol staat met xenofobe retoriek tegen het Noord-Afrikaanse leger. Met het hekelen van politieke correctheid en het bestempelen van buitenlanders als ‘kakkerlakken’ wordt een directe parallel gelegd tussen de demagogen van toen en die van vandaag.

Dat is wat Hannibal als voorstelling interessant maakt. Het is een mengelmoes waarin heden en verleden moeiteloos in elkaar overlopen, maar ook een groot aantal kunstvormen – onder andere hiphop, opera, action painting , slam en videokunst – samen worden gebracht. Door de grenzen tussen al deze kunstvormen te vervagen stelt Hannibal het hiërarchische en binaire zelfbeeld van het Westen ter discussie. De geschiedenis van Europa is hier geen duidelijk afgebakend geheel, maar een smeltkroes van verschillende kunstvormen en culturen. Hannibal is niet de onkenbare Ander, maar een even belangrijk deel van die geschiedenis als Caesar of Napoleon.

Het podium houdt het midden tussen een Grieks theater en een catwalk van een ballroom competitie. Bij aanvang wordt ons gevraagd om een wit masker op te doen, waardoor we lijken op een koor uit een Griekse tragedie, het volk dat reageert op de spelers. Tegelijkertijd zijn er een dj-booth (bemand door Abel Baeck), verschillende projectieschermen en dansers die wachten op hun moment om op de catwalk te verschijnen. Je kan een aria horen uit Henry Purcells Dido and Aeneas (1689) en even later een rap battle meemaken tussen koningin Dido (Alix Konadu) en Aeneas (Bellas), of een lied onder begeleiding van muzikant Ibrahima Cissokho en zijn kora. Je weet nooit helemaal waar deze voorstelling naartoe gaat en welke muzikale stijlen er voorbij gaan komen.

Hannibal communiceert voor een groot deel door de vorm. Tegelijkertijd maakt de vorm de vertelling troebel. De Cock en Mthombeni balanceren tussen twee verhalen: enerzijds die van de Punische Oorlogen, met Scipio en Hannibal als centrale figuren, en anderzijds het verhaal van Dido en Aeneas. De Trojaan Aeneas ontmoet Dido als vluchteling, vindt bij haar onderdak en verlaat haar om het Rome te stichten waar Hannibal tegen gaat vechten. Door te balanceren tussen de twee verhalen is er weinig ruimte om de vier personages uit te werken, en functioneren ze vooral om per scène een boodschap over te brengen. 

Door de veelheid in de voorstelling – van spelers, van genres, van theatertekens – ontbreekt het in Hannibal aan ademruimte. Als Bellas ons vraagt of we genieten van de oorlog, ontstaat er ruimte voor moeilijke vragen over onze gedeelde verantwoordelijkheid en de risico’s in het verbeelden van oorlog door middel van film of theater. Is de visuele overdaad van deze voorstelling genoeg om ons werkelijk te laten nadenken over oorlog, of genieten we niet stiekem te veel van al die mooie beelden en geluiden? En wat betekent het als we onze maskers moeten afdoen tijdens die speech? Voor dat echt kan neerdalen haasten we alweer naar de volgende scène.

De Punische oorlogen dienen in Hannibal als metafoor voor de oorlogen die vandaag gevochten worden. Theater hoeft niet de hedendaagse realiteit te benoemen. Toch is het opmerkelijk dat deze voorstelling wel expliciete verwijzingen maakt naar het heden – er wordt een parallel getrokken met vluchtelingen die verdrinken in de Middellandse Zee en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt geprojecteerd – maar niet naar de genocide in Gaza. En dat terwijl de agressie van het Romeinse Rijk jegens Carthago zich duidelijk leent voor deze vergelijking. De voorstelling wil iets universeels zeggen over de verwoesting van oorlog en hoe oorlogen zich over de eeuwen blijven herhalen, maar vermijdt ook controverse door niet te benoemen wat er vandaag gebeurt. 

Toch speelt Gaza onvermijdelijk een rol in deze voorstelling. De makers zullen weten dat het in de achterhoofden van het publiek spookt, maar de verwoestingen in Gaza hebben ook invloed op hoe we denken over schuld en medeplichtigheid. Het is niet een generaal of politicus die een oorlog maakt of breekt, maar een heel netwerk van personen en organisaties die medeplichtig zijn. Die nuance ontbreekt in de finale van Hannibal. We zien Scipio en Hannibal tegenover elkaar staan, terwijl een uit het publiek gelopen koor in harmonie begint te zingen. Als de generaals het veld ruimen, opent de zaal van Theater Rotterdam en worden we uitgenodigd om te dansen. Let’s celebrate! wordt er geroepen. Eind goed, al goed, lijkt het. 

Als ik de zaal uitloop, voel ik me ongemakkelijk. Waar dansen we nou eigenlijk voor? Waarom zijn de Punische Oorlogen begonnen? Hoe hadden ze voorkomen kunnen worden? Is het afdoende dat we met elkaar zijn en verbinding met elkaar zoeken, zonder een idee te hebben over de oorlog die gevoerd wordt? Kunnen we met elkaar door een deur nadat de leiders het strijdtoneel verlaten hebben? Het zijn allemaal vragen waar Hannibal niet echt antwoord op lijkt te hebben. Deze productie benadrukt het belang van meerstemmigheid en de kracht van gemeenschap. En dat is belangrijk. Maar het is niet genoeg.

Foto’s: Stef Stessel