Voor een première was het rustig. Er waren bloemen, er was publiek, maar de zaal van de Nieuwe Vorst had een stukje voller gekund. Tilburg, waar de muziektheatervoorstelling Grond uitkwam, heeft te leiden onder de consequenties van de corona-uitbraak.

Componist en regisseur Nicoline Soeter schreef muziek bij teksten van A.H.J. Dautzenberg. Zijn tekening van de blik van een jongetje, opgroeiend in een Zuid-Limburgs dorp bij de kolenmijn Nassau II met onder de grond zijn vader en ooit zijn opa (‘te witte ogen in een te zwart gezicht’), is helder en mooi scherp opgeschreven.

Steve Aernouts acteert semi-nonchalant, aanvankelijk haast over zijn eigen aarzeling struikelend. Hij heeft ook niet veel om zich aan vast te houden, behalve de teksten. Op de vloer is het muziekensemble Vonk als een band, met daarvoor of eromheen bungelend de acteur als verteller.

Maar juist dat onzekere of opengelaten kader past prachtig bij de aarzelingen van de jongen. Het beeld van de lege mijnschachten onder de grond van zijn dorp, waar paarden afgemaakt en achtergelaten liggen, fascineert hem. Liefst vult hij dat verlaten gangenstelsel met zijn gedachten en verzinsels, licht bevreemd als hij is door het sociale leven om hem heen.

Gaandeweg begint de sobere aanpak van Soeter steeds beter te kloppen. Ook de instrumentale nummers dragen bij aan de ingehouden sfeertekening van het borrelend binnen van een schrijver in wording. Vonk (Rianne Wilbers sopraan, Tom Sanderman saxofoons, Erwin Muller klarinetten, Reggy van Bakel slagwerk) staat zonder enige pretentie te spelen, zoals ook Aernouts (begeleid door Joep van der Geest) zich van grootse gebaren onthoudt.

Grond is een kwetsbare vertelvoorstelling – in de goede zin van het woord. De taal van Dautzenberg prikt door de licht nostalgische, gevoelige en soms licht atonale muziek van Soeter heen. Aanvankelijk zijn de liedjes (of songs) in het Engels, wat eigenlijk jammer is, al zorgt het voor de verwijzing naar popmuziek.

Het midden tussen band, nieuwe muziek en theater wordt dan misschien wat aarzelend gezocht (niets in Grond is zo wild als wat de kunstenaarsbandjes deden in de jaren ’80 – Zie de mannen vallen), Soeter geeft daarmee wel ruimte aan een bepaalde gevoeligheid in de teksten en het spel, die indirect mag blijven, niet hoeft worden uitgespeeld, ondergronds en onderhuids kan zijn en blijvend indruk maakt.