De schapen van boer Sprik moesten verhuizen: hun weitje werd het decor van theaterproject Geluk, Tsjechov in de Veenkoloniën van Stichting Gelukscompagnie. Voor hen in de plaats kwamen drie houten blokken, met binnenin ruimte voor een dertigtal toeschouwers en een paar acteurs. In het Oost-Groningse Zuidwending wandelt het publiek van kubus naar kubus en ziet steeds een andere eenakter, geregisseerd door Michiel Johannes Jansen en geïnspireerd op korte verhalen van Anton Tsjechov.

De blokken staan misschien in hetzelfde weitje, maar ze lopen inhoudelijk sterk uiteen. In de kubus het dichtst bij de weg, met uitzicht op enkele huizen, spelen Hendriks Aerts, Matthias Maat en Anne Rats Typisch Tsjechov (tekst: Aletta Becker). Aerts coacht Maat in zijn ‘spreekbeurt’ over de Veenkoloniën, terwijl Rats hen af en toe onderbreekt met een citaat van de Russische schrijver. Er wordt gediscussieerd over thuis, buitenstaanders en moedertaal – de vaart zit er goed in. Aerts’ energieke gedartel staat in prettig contrast met Maats rustige vertelstem. Zelfs wanneer de duiventil buiten omwaait en Maat de vogels haastig tussen de splinters vandaan vist, gaat de scène binnen onverstoorbaar door. Het ongelukje mengt perfect met de vrolijke chaos op het toneel.

Heel wat minder luchtig zijn Nog meer eeuwige liefde (tekst: Mirjam Boolsen) en De wending (tekst: Magne van den Berg). In de laatste eenakter, helemaal achterop het veldje, speelt Joke Tjalsma overtuigend een weemoedige herder die moet aanzien dat alles steeds slechter gaat. De vogels verdwijnen, sombert hij, de vissen worden kleiner. Hij ziet weinig in de uitspraken van een langswandelende dichter – een sterke rol van Lotje van Lunteren. De dichter ziet groot geluk in de weidsheid van de landerijen waarop de schapen grazen. Maar de herder doet het allemaal niets. Alles wordt alleen maar slechter, weet hij.

Nee, dan Boris en Nadia, een kubus verderop. Hun geluksgevoel stuitert van het ene naar het andere uiterste. Tom Jansen speelt de aanhankelijke Boris, die het hart probeert te winnen van een dame (Veerle van Overloop). Zij wil hem niet, vindt hem vooral vervelend. Maar juist dat aantrekken en afstoten blijkt het vuur in hun relatie.

Een rode draad vinden de eenakters in het weidse Oost-Groningse landschap, dat achter de glazen wand het decor vormt van elke scène. Dreigende wolken, vallende zwaluwen, leegte: het blijkt het ideale achterdoek voor Tsjechovs melancholie.